| 44L - Vervolg dagverhaal |
blz 205 |
men hen ergens in een grote ruimte, waar Dientje tot haar vreugde
haar zuster terugvond, de arme Doortje, die half krankzinnig van angst
en ongerustheid over Dina was.
Oorlogsmentaliteit: iemand deelde koffie uit aan de vluchtelingen en
vroeg: "Waar zijn de menschen in die hoek vandaan?" 't
antwoord: "Uit het Duitsche klooster van Groesbeek." De vrouw
met het blad ging voorbij zonder hen iets te geven. Daarna kwam een
Dokter de ronde doen. Opnieuw dezelfde vraag en hetzelfde antwoord; ook
de dokter ging door zonder ook zelfs maar een enkele blik te werpen naar
de arme zieke op de draagbaar.
Wychen is vol Groesbekers, bij iedere stap wisselen we een woordje of
minstens een groet. Een man, die de twee vorige nachten nog aan den
overkant van het Maas-Waalkanaal doorbracht, vertelt hoe de nacht
volgend op onze vlucht rustig verliep maar gisternacht is er weer zwaar
gevochten.
De Dominee en zijn vrouw hielden Joris en mij ten eten. Uit vrees dat ik
anders weer ergens om een boterham zou moeten gaan bedelen, zoals zij
mij goedmoedig plagend voorhielden. Na de maaltijd las de Dominee een
psalm eindigend met de regels: "De Heer, waar ge in of uit moogt
gaan en waar ge U heen moogt spoeden, zal eeuwig U behoeden."
Daarna het afscheid, met de gastvrije verzekering: "Als U wilt,
komt U gerust terug, U bent ons helemaal niet tot last geweest."
Wat ook 't dienstmeisje, die mijn douceur nauwelijks wilde aannemen,
volkomen beaamde. De schrik haar door Joris aangejaagd was
klaarblijkelijk vergeven en vergeten.
- 18 -
Vergeleken met de eindeloze tocht van de vorige dag leek 't nu slechts
een onbetekenend wandelingetje naar het veer. 't Was goed weer, zonnig
en winderig. De veldwachter van Niftrik, die iedere keer met zijn
handtekening vergunning voor de overgang van de Maas moest geven, bevond
zich niet in zijn woning, doch volgens zijn vrouw zou ik hem wel
"ergens" in 't dorp kunnen vinden. Mijn speurtocht had evenwel
geen succes. Met de overweging dat zelfs een konijn ten lange leste zijn
eigen hol opzoekt, terug naar 's veldwachters woning en daar zijn komst
afgewacht. Eindelijk verscheen de politieman; hij had juist een paar
Groesbeeksche meisjes en een Duitsche soldaat gevangen genomen, welk
edel gezelschap zich met elkaar vermaakte in Niftriks dreven.
De stad Ravenstein binnengaande werd ik begroet door buurvrouw Lien en
onze Paultje die uit een huis kwamen gelopen. Met de verzekerdheid van
iemand die al jarenlang ingezetene van Ravenstein is, nodigde de kleine
jongen mij uit hem te volgen: "Ga maar mee, ik wijs je wel waar wij
wonen."
Een hobbelig, kronkelend achterstraatje tussen armoedige lage woninkjes;
bij de bocht aan 't eind een klein herenhuis omringd door een moestuin.
't Zag er niet onvriendelijk uit. Inwendig viel het bitter tegen.
Paultje bracht mij naar een smalle, kale achterkamer met half
afgescheurd behang en enkele bijeengeschraapte meubels. Het enige
venster gaf uitzicht op een smal strookje grond met geknakte
tabaksplanten waaraan halfvergane bruine flarden blad bungelden; voorts
rondzwervende rommel, een bouwvallig konijnenhok en een gammel
schuurtje. Daarachter een hoge muur bekroond door een soort radiomast,
samengeknutseld met een versleten ragebol en een bonestaak. Als een
visioen rees het beeld van Vogelsanghs tuin voor het geestesoog op: de
glooiende grasvelden, bloemen en hoge bomen, de verre doorzichten op het
dorp, heuvels en bossen .....
Aan weerszijden van het venster, ineengedoken als twee zieke vogels,
Vader en Moeder. Jaren verouderd in die paar dagen.
- 19 -
Vol van wat zij doorgemaakt hadden sedert onze scheiding in Heumen,
begonnen Vader en Moeder te vertellen:
Stapvoets volgde de wagen in de eindeloze stoet vluchtelingen de vele
bochten van de Maasdijk, tot men bij Overasselt het bevel kreeg de weg
te verlaten en op een weiland te blijven wachten op nader order. Toen
was het in de namiddag. Uren en uren stonden zij daar, de zon zonk lager
en verdween tenslotte achter de kim. In de vallende schemer lichtte de
gloed van brandend Nijmegen steeds roder en feller op. In wanhoop
vroegen de
|