| 44M - Vervolg dagverhaal |
blz 211 |
vluchtelingenleven, mij persoonlijk het meest weerzinwekkende van
allen, En dan te bedenken dat thuis, op een paar tiental kilometer
afstand, alles wat wij nodig hadden voor het grijpen lag.
Sommige fortuinlijker dorpsgenoten met een auto tot hun beschikking,
slaagden er verscheiden malen in tot Groesbeek door te dringen en vele
onontbeerlijke dingen uit hunnen huizen mee te brengen.
Het kwellende besef hoe de kans om ongemerkt nog eens in Vogelsangh te
komen, verging door de onmogelijkheid om met een lamgeslagen lichaam de
reis op eigen kracht te ondernemen. Il fratello Corpo, om met Fransiscus
van Assisi te bespreken, Broeder Lichaam weigerde dienst. Het tij
verliep en werkeloos zaten wij af te wachten. En zagen uit op de
Stadsbleek tegenover het Posthuis, waar ondanks de groen belovende naam
gen grassprietje meer te bekennen was. Het stond er vol met
grauwbeslijkte legerwagens die hier nagezien en hersteld werden. Modder
noch regen weerhield de Ravensteinse jeugd grote belangstelling voor
deze
- 30 -
werkzaamheden aan den dag te leggen. Het mannelijk deel ervan
interesseerde zich in 't bijzonder voor het technische, de meisjes
zwierven er ook om heen, maar hen was 't meer begonnen om de rijkelijk
uitgedeelde lekkernijen. In minder dan geen tijd hadden de kinderen een
mondje vol Engelsch te pakken gekregen, genoeg om zich verstaanbaar te
maken bij alle landaarden die onder de Geallieerde vanen dienden en
zeker
voldoende voor het bedelen om "Chocolat for Mamma and cigarettes
for Pappa."
In een opening tussen de bebouwing van de Walstraat lag de Bleek op de
voormalige vestingwal. Verderop uitzicht op het lagere land dat het
stadje omringde! Moesakkertjes met verregende koolplanten, weilanden,
rijen populieren en knotwilgen buigend onder de herfstwind die hunne
laatste verkleurde blaren afrukte en verstrooide.
Iedere dag omtrent het middaguur zorgden wij present tee zijn in de
Achterstraat waar vanuit de schoenfabriek het radionieuws per
luidspreker werd verspreid. Een wijze maatregel van de Overheid om ons
enigzins op de hoogte van het wereldgebeuren te houden. Want een andere
nieuwsbron bestond er niet, de vele fantastische geruchten uitgezonderd.
Kranten werden nog niet gedrukt en schoon de Duitse poging om alle
radiotoestellen in beslag te nemen zeer zeker niet geslaagd mocht heten,
zo waren al deze zorgvuldig verborgen gehouden toestellen thans
onbruikbaar wegens gebrek aan electrische stroom. De eerste tijd
verzamelden Ravensteins burgers en vluchtelingen zich geregeld op de
vastgestelde tijd in de Achterstraat, die nooit eerder zo'n menigte
mensen bijeen gezien had. De vluchtelingen, op weg naar de
etensuitdeling, droegen allen emmers of pannen. Het waren de
vluchtelingen die met de grootste aandacht luisterden, die bleven komen,
ook als 't de Ravensteiners al lang niet meer raakte, want voor de
vluchtelingen hing er zo onnoemelijk veel af van het verloop van de
oorlog.
De meeste luisteraars zijn ons al van aanzien bekend, doch vandaag valt
een nieuwe figuur op: Zuster Marie, die wij het laatste gezien
- 31 -
hebben op de wagen met Anneke en haar gezin. Kleine, pezige,
strijdlustige Zuster Marie. Rap van tong en strijdlustig is zij, de
jarenlang ingeademde Amsterdamse atmosfeer is niet zonder invloed
gebleven, in 't bekvechten heft niemand haar nog weten te slaan. Daarbij
een gelaatsuitdrukking alsof ze met de gehele wereld overhoop ligt en
een stem om met succes kinderen mee naar bed te jagen. En toch weten de
Groesbekers heel goed welk een warm, meevoelend hart er onder dat barse
uiterlijk verborgen zit. In het laatst der vorige eeuw had Zuster Marie
het levenslicht aanschouwd in 't kleine Ravenstein. Hier had zij de
kinderjaren doorgebracht en een hechte vriendschap gesloten met haar die
eenmaal 's Kosters ega zou worden. Wat lag meer voor de hand dan dat
zij, nu zij haar woonplaats heeft moeten ontvluchten, naar het nabije
Ravenstein, naar hare vrienden de Koster en zijn vrouw trok. Want in
Alverna werd het haar te machtig: "Wij zaten daar met al die blagen
op een graanzolder en sliepen in 't stro; die kinders dolden maar door
elkaar en maakten een leven als een oordeel, een mens zou er gek van
worden, en daar ben ik met mijn zestig jaren te oud voor. Zodra Anneke
me kon missen, heb ik: 'Aju, ik groet je' gezegd en ben hier naar toe
gekomen."
|