| 44P - Vervolg dagverhaal |
blz 244 |
wikkelen de reisdekens zorgvuldig om ons heen. Wij komen iedere
Zondag lichamelijk zowel als geestelijk verkleumd van onze kerkgang
thuis, daar het geestelijk vuur gemeenlijk in de preken ontbreekt.
Vandaag evenwel is er een jonge, geestdriftige predikant, hij preekt
over Lucas II, vers 12: "Christus gaat voorbij" en wij
vergeten vocht en oorlog en luisteren en worden verwarmd.
Volgens de gebruikelijke Zondagsindeling brengen wij de verdere dag door
in het gastvrije huis van Mevrouw B. Wij ontmoeten er haar broeder, de
eige-
- 92 -
naar van de grote graanfabriek. Hij heeft over de ongelukkige
huisvesting van Vader en Moeder gehoord en raadt hen zeer aan om naar
Breda te gaan, hun oude woonstad waar zij zeker goede vrienden hebben
die een plaatsje in hun huis voor hen zouden willen inruimen, er zal
toch wel iemand zijn die een paar kamers over heeft. Vader stemt dit
toe, bij zijn beste vriend staat immers een gehele verdieping leeg.
"Wel dan schrijft U aan die vriend, hij zal blij zijn U te kunnen
helpen in de nood."
Moeder en Vader lieten zich grif overtuigen, deze oplossing lag voor de
hand. Breda, de stad waar zij zo lange jaren met genoegen gewoond
hadden, lokte als een veilige haven. Doch op welke manier zou een brief
verzonden kunnen worden, er bestond geen postverkeer meer. De handige
zakenman loste ook deze moeilijkheid op, daar zou hij zich mee belasten,
met behulp van de O.D. zou de brief zijn bestemming wel bereiken.
De kinderen waren de gehele middag verdiept in het verrukkelijke nieuwe
spel Vluchtelingetje. Mevrouw B. vond het beter om 't luidruchtige
troepje in de keuken te laten eten en om dit aantrekkelijk te maken,
stelde zij voor dat grote Els dan voor Moeder zou optreden. "En dan
ben ik de vader" verklaarde kleine Paultje beslist; hij was immers
de oudste jongen. De bende in de keuken maakte de grootste pret onder
elkaar, de muren dreunden er van.
Terugkerende bij de van Tilborgs was de keuken donker en verlaten, maar
stemmengeruis wees de weg naar de mooie kamer. Daar zat de gehele
familie vergaderd ter ere van het bezoek van den zoon, frater Joachim.
Hartelijk begroette de Frater de nieuwe huisgenoot en al spoedig waren
wij in een druk gesprek gewikkeld. De Frater behoorde tot een orde van
Missionarissen, Curaçao was zijn missiegebied geweest, totdat zijn
gestel hetwelk 't klimaat niet verdroeg, terugkeer naar het vaderland
noodzakelijk maakte. Een grote teleurstelling voor Frater Joachim, 't
was zulk een belangwekkend werk en
- 93 -
land geweest. Met vuur vertelde hij er van en ook over het leven op
Curaçao, dat kleine stukje van het Rijksgebied waar de Nederlandse vlag
al die jaren in vrijheid is blijven wapperen.
Maandag 13 November.
Vandaag deden Ineke en haar lotgenoten opnieuw een poging om
Groesbeek te bereiken. 's Morgens vroeg vertrokken zij in duisternis en
regen. Laat in den avond keerde Ineke weer, ontdaan en uitgeput,
ternauwernood meer in staat om een verstaanbaar woord uit te brengen.
Pas na een kop warme thee kwam zij wat op haar verhaal en toen kregen
wij het relaas van de ongelukkige tocht.
Weer had men hen bij de Civil Service uren laten wachten, weer poogde
men hen met een kluitje in het riet te sturen. Ditmaal echter lieten de
Groesbekers zich niet meer afschepen maar drongen zo krachtig aan dat
men hen ten slotte in een legerwagen laadde en op weg ging. In Groesbeek
opnieuw eindeloos wachten, ter hoogte van dokter Beynes' huis, op
slechts korte afstand van Vogelsangh. Niemand mocht de wagen verlaten.
Dan ten lange leste wordt ieder afzonderlijk naar eigen huis gebracht
onder begeleiding van een militair. Theo de tuinman, die Ineke wilde
vergezellen, werd teruggezonden.
De heuvel opgaande ziet Ineke de bomen van onze oprit stukgeschoten. Van
het huis hangen alle luiken open, door de gebroken ruiten regent 't naar
binnen.
In de gang een warboel van door elkaar gesmeten huisraad en
kledingstukken, een opengebroken geldkist. Plunderaars zijn aan 't werk
geweest.
|