| 44P - Vervolg dagverhaal |
blz 246 |
van eertijds te hervatten alsof er geen onderbreking ware geweest?
Drong het thans pas tot ons door hoe hopeloos de bevrijding van ons
vaderland vastgelopen was? En hoe de verlossing van het verdere deel van
Nederland, nu het niet meer bij verrassing zou kunnen geschieden, veel
tijd en inspanning zou eisen?
Dat het in de eerste plaats geboden zou zijn de gevaarlijke smalle
verbindingsstrook met het front te verbreden. Dat de wegen in goede
staat voor het zware verkeer gebracht zouden moeten worden en bruggen
geslagen
- 96 -
over de rivieren. Dat er reusachtige hoeveelheden munitie benodigd zijn
om tot een aanval die een redelijke kans op slagen biedt te kunnen
overgaan.
Had eigen gezond verstand ons dit alles niet reeds duidelijk gemaakt,
dan zou het krijgskundig inzicht van Vader het ons wel geleerd hebben.
Maar ach, hoeveel weken, hoeveel maanden zullen er met al deze
voorbereidingen heen gaan. Een wanhopige twijfel bekruipt ons of er wel
ooit een einde aan de oorlog kan komen.
Begint het schrale voedsel ons zodanig te verslappen dat met de
minderende lichaamskracht ook de geestkracht wegteert en onze gehele
weerstand gesloopt wordt?
De honger houdt ons menige nacht uit de slaap. Dan komen herinneringen
aan allerlei gerechten op, vanaf de eenvoudige, voedzame rogge- en
maispap waar wij de laatste jaren de dag mee inzetten tot allerlei
uitgezochte spijzen toe. En de geest blijkt onmachtig deze kwellende
gedachten te bedwingen. Feitelijk is er slechts één dag in de week
waarop wij voldoende voedsel krijgen: de Zondag. Het door de gaarkeuken
verstrekte voer wordt steeds slechter en is menigmaal volkomen
oneetbaar, zelfs voor uitgehongerde magen.
De vrouwen uit de gezinnen die het kwartje per portie niet kunnen
betalen, moeten meehelpen in de keuken. Zij vertrouwen ons toe dat het
schoonmaken niet al te veel tijd vraagt, want de aardappels behoeven
geschild noch gepit, de groenten niet uitgezocht. Rotte blaren, slakken,
wormen, alles verdwijnt in de kookpotten. Met de slakken enz. hoewel
verre van smakelijk, is 't nog mogelijk zich te verzoenen als men zich
slechts voor ogen houdt dat die beesten tenminste iets van het onmisbare
dierlijke eiwit in ons voedsel brengen. Want schoon wij de vleesbonnen
moesten afstaan, vlees ontbrak ten eenenmale. Soms meenden wij wel een
korreltje te vinden om alras tot de teleurstellende ontdekking te komen
dat 't een
- 97 -
zwart stukje aardappel of een klompje klei was.
Vergeleken bij het in die laatste oorlogswinter door de bewoners van de
grote steden in Holland geleden gebrek, vergeleken bij de mateloze
ellende in de gevangenkampen waren onze ontberingen onbetekenend, hoe
zwaar zij ons toen ook drukten. Aan een zo getrouw mogelijk beeld van
onze wederwaardigheden in dat kleine Brabantse stadje mogen zij echter
niet ontbreken.
De lijdzame Geldersen werden ten leste opstandig. Voor de Boterfabriek,
waar de uitdelingen thans plaats vinden, had men op een zekere dag weer
eindeloos moeten wachten in regen en wind, weer was er niet voldoende
voer om elkeen de voorgeschreven driekwart liter uit te reiken, weer zou
ieder slechts een halve liter ontvangen. Met schelle stem gaf Zuster
Marie uiting aan de algemene ergernis.
Het antwoord hierop deed de bom barsten, de verontwaardiging brak los
door de hardvochtige woorden: "Nou ja, gullie bent toch maar
vluchtelingen."
Vloeken en dreigementen, stenen vlogen door de lucht. De paar man van de
boterfabriek, bevreesd voor die beruchte Groesbekers, grepen de
brandslang en spoten de armzalige troep vluchtelingen nat. Hiervoor
weken de Groesbekers, maar niet dan nadat Zuster Marie als hun
woordvoerster nog eens onverbloemd aller hartgrondige verachting voor de
Ravensteiners had verkondigd.
Toch was deze handeling met de brandslang ook de Ravensteiners te bar.
Het personeel van de boterfabriek heeft klaarblijkelijk een flinke
terechtwijzing gekregen, voortaan was de toon van de opscheppers van het
eten veel behoorlijker, het opgeschepte bleef van even slechte
hoedanigheid.
|