| 44R - Vervolg dagverhaal |
blz 258 |
Patronaatsgebouw. De Schotse pijpers speelden vrolijke wijsjes, elk
kind kreeg een lekker stuk gebak en een chocoladereep; voor het laatste
hadden de mannen hun eigen rantsoenen afgestaan.
Toch kwam onze jongen slechts half voldaan thuis. Hij zag er bleek en
moe uit, met donkere kringen onder de ogen. Volgens Paultje's zeggen was
de Sint lang niet zo aardig geweest als vorig jaar in Groesbeek, hij had
helemaal niet tegen de kinderen gesproken. Hij was ook heel anders
gekleed als toen, met zo'n vreemde muts op het hoofd en zijn baard leek
net op watten.
Goede Mevrouw B. bezorgde ons grote mensen ook een
Sinterklaasverrassing, wij kregen ieder een groot vers ei.
Het vooruitzicht dat er mogelijkheid bestond binnen kort naar Breda te
trekken had aan Vader een Moeder nieuwe levensmoed gegeven. Aan Breda,
hun vroegere woonplaats bewaarden zij zulke aangename herinneringen;
Breda, die naam vertegenwoordigde de goede oude tijd van voor de oorlog,
van eigen fleurige jonge jaren. Eenmaal in Breda zouden alle
ontberingen, alle angst en leed van de laatste maanden een nachtmerrie
gelijken, een boze droom die vervaagt en vergeten wordt.
- 120 -
Op deze rooskleurige verwachtingen werd een domper gezet door een brief
van vaders vriend. Hij had de zoon van zijn chauffeur op de fiets dwars
door Brabant gezonden om het epistel met nauwkeurig omschreven
voorwaarden voor het verblijf ten zijnen huize te overhandigen. Deze
voorwaarden behelsden ondermeer dat noch de honden noch mijn persoon er
in huis zouden verschijnen. Het laatste leverde geen bezwaar op daar ik
geen plan had Ravenstein te verlaten; mijn kwartier was goed en
bovendien zou ik vanuit Ravenstein eerder kans hebben naar Groesbeek
terug te keren dan vanuit het zoveel verder af gelegen Breda. Maar dat
de honden niet mee mochten gaan ...... Die voorwaarde was ons
onbegrijpelijk van iemand die tot voor kort zelf honden had gehad en
bovendien over voldoende ruimte beschikte om de dieren onder te brengen.
En hij wist toch hoe Vader op zijn honden gesteld was. Waar moesten onze
trouwe Schotje en Joris dan blijven?
Mijn brave huismensen zouden zeker geen bezwaar maken om de beide
terriers te huisvesten, doch als ik eenmaal gelegenheid naar Groesbeek
terug te keren zou ik hen waarschijnlijk niet mee kunnen nemen. En hen
alleen achter laten? Het tweetal verdroeg elkaar slecht sedert de
bombardementen hun zenuwen van streek hadden gemaakt; in dat geval
voorzagen wij ijselijke gevechten op leven en dood. Wij dachten aan het
bekende gedicht van de bereisde Roel waarin een hondengevecht beschreven
wordt: "Zulk vechten man, het was verbazend: ging kop en oor er af
en glad als spek er door" en dan de laatste regel die vaststelde
wat er na het gevecht overbleef: "op mijn eer, de staartjes en
niets meer." - En wat is nu een gecoupeerd foxenstaartje? - Dat
droevig einde moesten wij hen besparen.
Na langdurig overleg kwamen Vader en Moeder tot de slotsom dat zij
niettegenstaande het uitdrukkelijk verbod de honden toch mee zouden
nemen, om eenmaal in Breda zo spoedig mogelijk werk van een ander
onderdak te maken. In een stad waar men zo goed bekend was en zovele
vrienden bezat zou het ongetwijfeld niet moeilijk vallen een geschikte
woning te vinden.
Vaders vriend veronderstelde niet anders of er zou in Ravenstein wel
- 121 -
een auto te krijgen zijn om de reis te maken. Doch indien dit niet
dadelijk mocht lukken dan zou hij hen laten ophalen door een Bredase
wagen.
De heer van Z. werd gepolst - hij was kort tevoren zo vriendelijk
geweest Moeder en Ineke mee naar Nijmegen te nemen
- en verklaarde zich terstond bereid de familie te vervoeren. Hij stelde
meteen een datum vast: op 6 December zou hij hen komen afhalen.
Alles werd voor het vertrek in orde gebracht en op de afgesproken dag
stonden van de vroege morgen af pak en zak gereed. Wij waagden 't
nauwelijks even met de honden een straatje om te gaan, de wagen kon
immers ieder ogenblik voorrijden. Doch de dag verliep, de vroege
duisternis viel in en er was noch een auto noch enig bericht van
verhindering gekomen. Wij pakten het allernodigste weer uit en maakten
de bedden opnieuw op. Gelukkig had wij het geleende
|