| 44S - Vervolg dagverhaal |
blz 269 |
waar wij zitten zal hij terugkomen om zijn avonturen te vertellen,
thans heeft hij geen tijd, hij moet nog voor donker zien thuis te zijn.
En 't is nog een verre tocht naar zijn kwartier ergens in de
binnenlanden van Brabant.
Dinsdag 1) 21 December.
De kortste dag en inderdaad van alle mistige, lichtloze dagen van de
laatste tijd de donkerste. In deze lange nachten trekken steeds meer
vliegende bommen over; af en toe ontploft er een op korten afstand met
een dreunende slag. De Mof roert zich weer. Valschermjagers zijn in
Nijmegen en blijkbaar ook elders gedaald. Er broeit iets. Ook hier is
men verdacht op parachutisten en overvallen. Dubbelposten patrouilleren
overal, tot zelfs in de straten van Ravenstein. De mannen worden telkens
aangehouden en moeten dan hun identiteitskaarten vertonen. De soldaten
hebben consigne gekregen om 's nachts in de kleren te blijven en met het
geweer bij de hand te slapen. Bioscoopvoorstellingen en dancings zijn
afgelast. In Reek en de andere plaatsjes nabij de Graafse brug is de
avondklok reeds om zes uur ingesteld; wat betekent dat een ieder van dat
uur af binnenshuis moet blijven.
Niettegenstaande het slechte weer en de zeker tien centimeter dikke
modderbrei, net chocoladepap, die de weg bedekt, ga ik toch geregeld op
den dijk kijken naar het slaan van de tweede brug die op korte afstand
van de eerst komt te liggen. Blijkbaar zijn de Geallieerden door de hoge
waterstand van onlangs tot het inzicht geraakt dat de waarschuwingen van
Nederlandse zijde, hoe ongelofelijk ook, niet ongegrond waren. Deze brug
zal veel hoger komen te liggen, de opritten beginnen op de kruinen der
dijken. De Ravensteiners die zo zeer met
- 143 -
hun rivier medeleven, tonen veel belangstelling voor de bruggebouw. Een
ieder die een ogenblikje tijd over heeft, gaat een kijkje op den dijk
nemen; regen en storm ten spijt. Dat wil zeggen: enkel de leden van het
sterke geslacht. Vrouwen behoren volgens de ouderwets degelijke
Ravensteinse opvatting de gehele dag in huis bezig te zijn en zich niet
dan bij hoge uitzondering op straat te vertonen. Bovendien hebben
vrouwen immers toch geen belangstelling voor techniek.
Onder de vaste bezoekers op den dijk behoorde de oude aannemer
Eygelsheim, het kittige welhaast 80-jarige heertje met zijn grijs-witte
puntbaard, die ik in gedachten met de naam kaboutermanneke betitelde.
Onvermoeid kon hij er uren staan kijken. Wij, de dagelijkse toeschouwers
kenden elkander allen van aanzien en wisselden soms een groet, en
woordje. Onder hen was een Betuwse boer, die ik iedere Zondag in ons
kerkje zag zitten. Een zekeren dag van uitzonderlijk slecht weer waren
hij en ik de enige toeschouwers op den dijk. Beide staarden wij zwijgend
naar de overkant, naar de Gelderse oever. Ineens deed hij een paar
stappen naar mij toe: "Och, als 't maar eenmaal zover was dat wij
de rivier over mochten. Hier in den vreemde is 't ook niks, waor?"
Geen spier vertrok in zijn als uit grauw oud eikenhout gebeeldhouwde
kop; de ogen alleen met hun verre, trieste blik drukten zijn groot
verlangen uit. In korte, stugge zinnen kwam hortend het verhaal van de
strijd in de Betuwe, van hun gedwongen vlucht. "Want vrijwillig was
ik nooit gegaan, zelfs voor het water had ik mijn mooie boerderij nooit
in de steek gelaten." Een fruitboer was hij, met zoveel bunder van
de mooiste bongerds van de gehele Betuwe. "Beste grond en best
onderhouden, al zeg ik het zelf. En nu stroomt het water er over heen,
ze zeggen 't staat er wel drie meters hoog. De vrouwe jammert maar over
't huis en de meubels, dat was ook goed spul, maar ik zeg: hoe krijg ik
mijn grond ooit weer goed? De bomen zijn natuurlijk verloren,
- 144 -
die kunnen er niet tegen zo lang met natte voeten te staan."
Op mijn vraag naar de soorten die hij kweekte, begon hij ze geestdriftig
op te noemen. Op die winderige dijk stonden wij te redeneren over de
voor- en nadelen van de verschillende soorten alsof het een zoele
zomeravond in het vette Betuwse land was en wij een kuiertje door de
bongerds
Dit moet Donderdag
zijn. P.S.
|