|
Vel I
Zondag 15 Juni 1941 Naar 's-Gravenhage om tien uur en daar juist voor
't middagmaal
aangekomen. Vóór Nijmegen op de Waal ligt nu weer een pontonbrug. Ten
Zuiden van de lijn Arnhem-Utrecht telde ik 14 verwoeste boerderijen, die
nu ten deele herbouwd worden. Aan den oostkant van Gouda, de buurt van
het lijntje naar Schoonhoven, zijn twee bommen gevallen op twee
hoekhuizen, die geheel verwoest werden. Daarna neef G. opgezocht, die -
teekenend voor zijn gezindheid - op een der stoelen had neergezet het
portret van de Prinses met er voor een stuk oranje papier, mij er over
installeerde en dadelijk onderzoekend keek, hoe ik er op reageerde. Ik
gaf uiting aan mijn voldoening, deze afbeelding hier te zien, waarop hij
zeide, dit album - 't portret bevond zich n.l. in een boek - van zijn
zoon R. te hebben gekregen, een mededeeling die mij genoegen deed, daar
wij over R. geruchten hadden gehoord, die een andere meening van hem
deden vermoeden, doch ook hetgeen neef verder vertelde, bewees dat hij,
hoewel noodgedwongen nog steeds werkzaam aan de M.W. nog geheel te
vertrouwen is, evenals zijn broeder, die de baan aan de brandweer niet
gekregen heeft, - ook een goed teeken - doch nu te werk gesteld is in
Rotterdam: luchtafweer, enz. Neef vurig, maar draaft mateloos door en
scheert alles over éen kam. "Alle Duitschers beschouw ik als onze
vijanden, als een blok tegenover ons."
's Avonds in hotel C. Hoorde daar de geschiedenis van onze vroegere
gezant in Rome, de v. Nispens tot Zevenaar. Terwijl ze nog in Rome
waren, kregen ze bericht dat in hun huis aan de Sophialaan brand was
ontstaan, door de onhandigheid van een der dienstmeisjes, die een
strijkijzer ingeschakeld liet staan. M. en Mevr. reisden dadelijk naar
den Haag om de schade op te nemen, die vrij aanzienlijk was. Bij
terugkomst in Rome bleek de helft van hun bagage gestolen.
Met de overgebleven rest der bagage kwamen ze in Holland aan, konden
geen plaats vinden in een der grootere hotels en belandden zoo in
Clarence. Het huis aan de Sophialaan had zijn aantrekkelijkheid voor hen
verloren door de brand, dus richtten zij een huis op 't Nassauplein
geheel nieuw in. Op een zekeren dag, 't was vrijwel klaar, gaan zij weer
eens naar de vorderingen kijken en bemerken, dat de D. het huis in
beslag hebben genomen. Groote teleurstelling. Maar 't huis aan de S.laan
was er gelukkig nog. Doch daar aangekomen, bleek ook dit door de D.
bewoond te zijn en toen Mevrouw waagde, er een aanmerking op te maken,
kreeg zij ten antwoord dat ze niet bedroefd, maar blij moest zijn: haar
was de eer aangedaan, dat Göring in haar kamer geslapen had .....
Generaal R.v.T. was krijgsmakker van kolonel B. in Indië en een groot
vriend van hem. Is getrouwd met Ind. dame van het type goed hart maar
dom. Eén zoon aardt naar den vader, deze was aan 't hof; de twee
anderen Nsb. De groote R. woonde vóór zijn huwelijk met zijn moeder
samen, die hem vereert. Bij de huwelijksreceptie prijkte op de
geschenkentafel een bouquet Judaspenningen, totdat iemand, die de
duidelijke toespeling snapte, deze verwijderd heeft 1).
Van de 600 W.A. die naar Griekenland gezonden zijn, bleven er 28 in
leven. v.E. vertelde, hoe vrienden die een huis zochten en van het
woningbureau sleutels mee hadden gekregen voor verschillende woningen,
in de hangkasten van de beide bovenkamers opgehangen Nsbeërs vonden. De
hofvijver heeft als voorzorgsmaatregel een hekje gekregen en 's avonds
zal geen Nsbeër zonder noodzaak uitgaan en wanneer ze langs de straat
moeten, loopen ze angstvallig langs de trottoirband of in 't midden der
straat; niet vlak langs huizen of hekjes. Een bepaalde Nsbeër heeft een
handig trukje bedacht om de menschen te pakken te nemen. Hij vertoont
zich met een oranje knoop
vel II
op de lapel van zijn jas en neemt degenen mee, die verrukt zegt:
"Ook een oranjeklant".
P. is gevangen genomen. Zijn verleden van fraudeur en knoeier in
geldzaken maakte hem juist geschikt om aan 't hoofd van deze instelling
te staan. Hij is echter spoedig weer ontslagen; deze gevangenneming was
blijkbaar voor de leus{?}. Studenten hadden gezegd, dat zij de kleine
Zie
ook 41A-SCHRIFT-1, Blad 31
|