| 42E CAHIER-2 Vervolg |
blz 74 |
{vel 20}
Verleden Zondag volgens de kranten een strook van 500 Meter langs de
kust geheel afgesloten; in werkelijkheid was dit 1000 m. De menschen in
de v.Aersenstraat b.v. mochten dien dag hun huizen niet verlaten; toen
ze 's morgens uit wilden gaan, werd het hun door een agent verboden. 's
Middags werden er een paar schoten gehoord, verder niets. Dr.B., 's
morgens opgebeld door een dienstmeisje die zeide dat haar meneer niet
aan 't ontbijt was gekomen en ze had bij haar kloppen op de
slaapkamerdeur geen gehoor gekregen, ze durfde echter niet binnengaan.
De Dr. bemerkte echter dat de man nog leefde, de pols was goed en de
pupil reageerde. Geen spoor te vinden van wat hij had ingenomen, geen
glas of iets dergelijks. Veronderstelde morfine in een te kleine dosis.
Tweestrijd of hij hem het ontbrekende zou geven. Op tafel
afscheidsbrieven en de oproep voor de Joden. Zijn vrouw was met de
razzia al weggevoerd. Heeft hem naar het hospitaal laten brengen; daar
was hij voor het oogenblik geborgen, wat hij dan later deed, moest hij
weten.
Voor dezen Dinsdagavond waren 5700 Joden opgeroepen om op transport
gesteld te worden; eerst naar Drente en verder naar Polen. Iedere
persoon moest zijn bagage afzonderlijk pakken, niet in gezinsverband. Er
mochten geen naalden, geen vorken, geen messen meegenomen.
De oude vader van negentig jaar die met drie dochters samenwoonde. B.
had gedaan gekregen dat een dochter bij den vader blijven mocht. Wie zou
zich opofferen om te gaan?
De oude vader en moeder met de eene dochter die voor hen zorgde. B. had
hen beiden in bed gestopt, en gezegd dat de dochter onmisbaar voor haar
zieke ouders was. De ziekenhuizen liggen vol met Joodsche patienten,
alle dokters spannen samen.
Gevechten in de stad, in 't Jodenkwartier, o.a. Houtmarkt. Joodsche
jongelui deden telkens uitvallen op de nieuwe Nsb-politie, die hen in
bedwang moest houden. De
{In de marge: "Am ersten September muß Europa Judenrein
sein."}
oude politie vormde het cordon aan den buitenkant, dat niet vocht. De
heerlijke vredige zomeravond . . . . .
De Joden moesten zich verzamelen op het Stuyvesandtplein. Na twaalven
hoorden we de trams wegrijden en ongeveer twee uur de treinen
vertrekken.
De pianiste-accordeoniste van een strijkje, die de moed er zoo goed
inhield, en nog terugging naar haar huis om haar vergeten mondharmonica
te halen: "want dan kan ik nog wat voor ze in de trein
spelen."
Overdag zagen we de Grüne Polizei overal met de overvalwagens door
rennen. Hier en daar staan wachten, een sterke wacht op het
Rijnspoorstation. Hier en daar ook in hoeken prikkeldraadversperringen,
die op de weg gezet kunnen worden. Weinig Joden - met bezorgde gezichten
- op straat; een geladen stemming. Veel Joden zijn ondergedoken; vooral
heel veel kinderen heeft men in veiligheid gebracht.
De arme poes op de stoep van het verlaten Joodsche huis. Medelijdende
buren lokten haar met een kostbaar stukje vleesch mee. In dit verlaten
huis - van Brosse - brandde den volgenden avond licht in de gang; de
gordijnen waren slordig dicht gespeld, als om te verbergen dat wat er
inwendig gebeurde. Andere huizen openlijk geplunderd.
In Amsterdam met de razzia had men een Jood en zijn dochter -
verneemende dat de geheele straat onderzocht zou worden - onder de vloer
verborgen en het gespijkelde kleed weer vastgemaakt. Drie uren lagen ze
onder het huis dat ... het eenige was dat niet doorzocht is geworden!
De Christin die zag hoe bij de razzia de J. heer Chose bij een vriend
binnenvluchtte; dadelijk naar zijn huis ging om zijn vrouw en kind in
veiligheid te brengen, en het kind zelf droeg
{In de marge: De Joden mochten niet in familieverband pakken, omdat
de families uit elkaar
gaan. Niets scherps mocht meegenomen, zelfs geen vork - enkel lepel -
haarspeld of
stopnaalden.}
|