Andere
korte verhalen en artikelen over Nederlands - Indië
Kort
verhaal over Indiëganger Fried Boelens
|
Inleiding |
|
Korte
beschrijving over soldaat (270119173) Fried Boelens
3-5-11 Regiment Infanterie tijdens zijn verblijf in
Nederlands Indië van 28 februari 1948 t/m 26 mei 1950.
Ik
begon mij steeds meer te interesseren in de tijd dat
mijn vader gediend
had in het
voormalig Nederlands Indië.
Ik weet heel weinig over deze tijd terwijl mijn
vader daar een belangrijk
gedeelte van zijn jeugd heeft doorgebracht en, niet
onbelangrijk, hij
heeft op deze manier mijn moeder leren kennen. Eindhoven
werd bevrijd op 18 september 1944, nog geen twee jaar
later, op
20 jarige leeftijd, wordt mijn vader opgeroepen voor
militaire dienstplicht.
Dienstplicht in deze tijd betekende dat je verplicht je
dienst uit moest
zitten in Nederlands Indië. Hoelang je de dienstplicht
moest vervullen was
onbekend.
De
meeste die naar Nederlands Indië vertrokken zagen dit
als een
avontuur. Niemand wist wat je daar te wachten stond.
|
|
De opleidingsperiode: |
| Ik
begon mij steeds meer te interesseren in de tijd dat mijn vader
gediend had in het voormalig Nederlands Indië. Ik weet heel
weinig over deze tijd terwijl mijn vader daar een belangrijk
gedeelte van zijn jeugd heeft doorgebracht en, niet
onbelangrijk, hij heeft op deze manier mijn moeder leren kennen.
Eindhoven werd bevrijd op 18 september 1944, nog geen twee jaar
later, op 20 jarige leeftijd, wordt mijn vader opgeroepen voor
militaire dienstplicht. Dienstplicht in deze tijd betekende dat
je verplicht je dienst uit moest zitten in Nederlands Indië.
Hoelang je de dienstplicht moest vervullen was onbekend. De
meeste die naar Nederlands Indië vertrokken zagen dit als een
avontuur. Niemand wist wat je daar te wachten stond.Op 2 juli
1947 werd mijn vader opgeroepen voor militaire dienstplicht.
Samen met andere dienstplichtige Heezenaren vertrokken zij voor
een opleiding in Blerick, bij Venlo. Het was niet alleen de
overgang naar het militaire leven die hun gedachten bezig hield,
maar vooral ook de politieke achtergrond met Indonesië. In deze
Juli maand zou bekend worden of ook deze Heezenaren zouden
vertrekken naar het verre Indonesië. Deze Juli beloofde een
avontuurlijke wending te geven aan het leven van mijn vader en
van de overige dienstplichtigen. In Blerick werden de militaire
beginselen bijgebracht. Maar ook werd er een boekje aan deze
rekruten gegeven om Maleis te leren. Er werden instructie films
getoond over wat de dienstplichtige te wachten stond in de
"Oost". Mijn vader kreeg tussen door een
schoenmakersopleiding in Rotterdam. Deze opleiding vond niet
plaats in een kazerne maar in een woning in de Maasstraat.
Voordat ze ingescheept werden kregen ze na deze opleiding,
tropenverlof. Ze moesten zich in deze periode wel blijven
gedragen als militair. Dat betekent dus ook het militaire
uniform blijven dragen. Tijdens de 25e jarige bruiloft van zijn
ouders trok hij zijn burgerlijk pak aan. De militaire politie,
uit Heeze, heeft hem hierover aangesproken en ernstig berispt.
Deze 6 weken verlof moeten voor hem een apart gevoel gegeven
hebben aan, de ene kant wacht het avontuur, het onbekende, maar
aan de andere kant ook weer opnieuw een oorlogstijd. Maar wat is
voor een jonge kerel van 20 jaar aantrekkelijker dan het
avontuur? Inmiddels was in Indonesië de eerste politionele
actie uitgebroken. Wat ik mij zelf nog afvraag is hoe de familie
zich moet hebben gevoeld toen zij een familie lid voor onbekende
tijd opnieuw naar oorlogsgebied zagen gaan. Op het moment dat ik
dit schrijf (1995) worden de Nederlandse Blauwhelmen naar
diverse oorlogsgebieden in de wereld gestuurd, met dit verschil
dat zij wel weten wanneer ze ongeveer terug zullen komen. |
| De
reis met de boot naar Indonesië: |
| Op
25 februari 1948 vertrok de stoomtrein vanuit Eindhoven naar de
haven van Rotterdam. In Rotterdam aangekomen werd er meteen
ingescheept op de stoomboot, de "Volendam". De enige
bepakking was een plunjezak en een krentenbrood. Op deze boot
zaten 2500 mensen waaronder 300 bemanningsleden. Aan boord was
het een beestenboel; het stonk er verschrikkelijk, er werden
namelijk regelmatig passagiers zeeziek. Een slaapplaats moest
daarom ook zorgvuldig uitgezocht worden, er werd geslapen op de
grond. Een bank of stoel was aan dek niet te vinden, dus zaten
ze bijvoorbeeld op de grond te kaarten. De Nederlandse regering
vroeg zich niet af hoe wij er kwamen, als we er maar kwamen De
reis verliep als volgt: Rotterdam, Middellandse zee, Sues
kanaal, Rode zee Wanneer je wekenlang op zee zat en niets anders
dan water had gezien was het een belevenis om in de verte een
landstrook of een eiland te zien. Wanneer iemand dit zag liep
iedereen naar één kant van de boot. De boot ging dan
gevaarlijk naar deze kant overhellen. Al snel werd er dan
omgeroepen dat we ons weer moesten verspreiden om kapseizen te
voorkomen. Hondje Jackie was een verstekeling, meegesmokkeld op
de boot in een jas en bracht enige afleiding op de boot.
Onderweg met de boot waren ze ook nog een andere boot tegen
gekomen met O.V.W. ers "Oorlog Vrijwilligers". Deze
boot was de s.s. "Zuiderkruis" |
| Aankomst: |
| Op
25 maart komen ze aan op Sabang Tanken (Nederlands Indie) Na
precies 1 maand (op 26 maart) wordt er ontscheept te Belewan op
Sumatra. (Oostkust) Van daaruit ging het per trein naar Pematang
Siantar. Deze trein had twee locomotieven en reed stapvoets,
over grote ravijnen waar bruggen over waren gebouwd. De bataljon
geschiedenis verhaalt over overweldigend natuurschoon. De rit
duurde 1 dag. Pematang Siantar is het eindstation. Dit ligt aan
de oostkust van Sumatra. In de omgeving van het Toba meer en
Prapat. Met 1500 man komen ze op een kazerne complex met
sportvelden, kantine. Toevallig lagen ze met enkele Heezenaren
bij elkaar. Lijssen een Heezenaar zat er al. Mijn vader werd
gevestigd buiten de kazerne, bij het kader waar hij aangesteld
werd als facteur. Facteur is iemand die voor de post zorgt. Zijn
kameraad werd Pietje Willems en deze was hulp administrateur.
Mijn vader hoefde niet mee patrouille te lopen omdat hij facteur
en schoenmaker was. De patrouilles gingen op zoek naar ploppers,
guerrilla strijders. Wel moest hij ook regelmatig wacht lopen
bij de B.P.M. (Bataafse Petroleum Maatschappij) van 's avonds 6
uur tot 's morgens 6 uur. Er lagen tanks met petroleum die zij
moesten bewaken, wat niet ongevaarlijk was. Het is 's nachts
pikdonker je ziet er geen hand voor de ogen. |
| De
Volendam: |
| "Het
Heilige Tobameer" werd tijdens deze jaren ook wel het meer
van 5-11 R.I. genoemd. Op een dag moest ik met een politieboot
mee een patrouille wegbrengen in de omgeving van de straat van
Malakka. In de verte zagen wij Singapore liggen. Nadat we de
patrouille aan land gezet hadden gingen we met de Indische
politie en nog een Nederlandse soldaat terug. Maar op de
terugweg kwamen we vast te zitten omdat het inmiddels eb was
geworden. Er zat niets anders op dan de boot aan land te brengen
bij een kampong. We werden vriendelijk ontvangen door de
dorpelingen en de Kapellenkampong (Burgemeester) van dat dorp in
de rimboe. |
| Op
de boot tussen de politie: |
| Er
werd door de Kapellenkampong en de dorpelingen een echte
Indische maaltijd bereid met alles erop en eraan waar we als
gasten bij werden uitgenodigd. We zaten allemaal samen in een
echt Indisch huis van bamboe met een Atap dak (gedroogde
bananenbladeren). Ik vond het een hele belevenis. De volgende
ochtend toen het weer vloed werd gingen wij weer met de boot
naar onze thuis basis. Daar hadden ze zich ongerust gemaakt en
dachten dat we in een hinderlaag gelopen waren. Tobameer, Prapat
Van Pematang Siantar wordt de 3e Compagnie overgeplaatst naar
Prapat, gelegen aan het Tobameer. Hier was ook een verlofcentrum
gevestigd voor militairen. Ik werd aangesteld als kantinebaas in
de Harmoniebar in een buitenwijk van Prapat, op een paar honderd
meter van de demarcatie lijn. Dit was niet ongevaarlijk omdat de
ploppers regelmatig over de grens kwamen en deze kwamen nooit
met vreedzame bedoelingen. |
| Harmoniebar,
Prapat, Oktober 1948: |
| Ik
werd ongeveer een week eerder hierheen gestuurd om alles in orde
te maken. De kantine moest meteen in gebruik zijn wanneer de
overige manschappen aankwamen. Om me te beschermen tegen
eventuele overvallen van ploppers sloot ik mij 's avonds voor
het slapen gaan op een kamertje zonder ramen. Met het geweer op
scherp sliep ik dan op mijn tempatje (bed). In de kantine had ik
het best naar mijn zin. De militairen kwamen wanneer ze terug
kwamen van patrouille langs om hun dorst te lessen. Mijn omzet
was zeer goed. Zondags wanneer de kerk uitging kwamen de
inwoners van Prapat ook iets drinken. Dit alles vond ik best
gezellig. Bij de kampong vlak bij de kazerne woonde zeer
vriendelijke bewoners. Hier draaiden we plaatjes van thuis en
hoorden op deze manier we stemmen van huis die we soms jaren
niet hadden gehoord. |
| 2e
politionele actie met kerstmis 1948: |
| In
het kader van de 2e politionele actie ging 5-11 R.I. onder
codenaam "Damhert" op actie. Het zuiveren en bezetten
van Balige en het vliegveld Siborongborong behoorde tot de
opdrachten.Het vliegveld Siborongborong was een zeer belangrijke
schakel bij de bezetting van Tapanuli. De 2e politionele actie
ging van start net voor de Kerstdagen van 1948. Het ging in deze
omgeving om de bezetting van Tapanuli, de zogenaamde actie
Tijger. De 5-11 R.I. nam hiervan een belangrijk gedeelte voor
haar rekening in de actie Damhert. De groepen werden
onderverdeeld met namen zoals EEND, DUIF, HAAN. Mijn vader nam
deel met gevechtsgroep EEND, onder leiding van Kapitein Zeeman.
Deze vertrokken per landingsboot naar Balige en van daaruit zou
het verder gaan naar Siborongborong. Groep EEND is op 22
december 1948 te Prapat geconcentreerd. Voor het vervoer over
het Tobameer werden negen L.C.V.P.'s en twee Pieperboten
ingezet. Behalve de manschappen moesten ook nog negen jeeps
meegenomen worden voor de actie Balige - Siborongborong. Op 22
december 1948 te 21.00u werd begonnen met de inscheping. Op 23
december om 01.25 werd er afgevaren richting Balige. Zonder
noemenswaardige bijzonderheden werd bij het aanbreken van de dag
de baai van Balige bereikt. De landing verliep zeer vlot en was
om 06.50u voltooid. Tijdens de landing werd er geen vuur
ontvangen. De zuivering van de stad zelf had niet zoveel moeite
gekost omdat de "Ploppers" de bergen waren
ingetrokken. Maar iedereen wist dat dit van tijdelijke aard zou
zijn en dat de heren bij nacht heus nog wel eens van zich zouden
doen spreken. Daarom werden overdag schutterputten gegraven rond
een terrein ter grote van zes voetbalvelden om de vijand op te
wachten hier konden ze met drie man in liggen bewapend met een
brengun en een geweer Tijdens de Kerstnacht ging het er tamelijk
heet aan toe. De ploppers, guerrilla strijders, kwamen uit de
bergen en opende het vuur. De kogels vlogen om de oren, ze
werden bloot gesteld aan een hevige beschieting. Brandstichting
legde de plaatselijke bioscoop in as. Praktisch de hele nacht
bleven de stellingen bezet tot tegenaanvallen de bendes
terugdrongen in de bergen. Een aalmoezenier liet zich door dit
nachtelijk intermezzo niet weerhouden om een Kerstmis te lezen
en om iedereen een zalige kerst te wensen. Tegen de ochtend viel
mijn vader in een diepe slaap langs een aggregaat dat enorm veel
lawaai produceerde. 's Morgens gingen we weer verder met de
jeeps naar Siborongborong, omdat we te weinig jeeps hadden
werden er bussen gevorderd. Van de Chinezen. Met het geweer in
de aanslag ging het verder naar Siborongborong. Alle drie
pelotons, waaruit groep EEND bestond, moesten aankomen in
Siborongborong waar we het vliegveld moesten bezetten. Bij
aankomst, van het eerste peloton, op het vliegveld was geen
vijand te bekennen. Om 08.53u werd de Nederlandse vlag gehesen
en om 10.00 u landden de eerste vliegtuigen met troepen,
motormateriaal, benzine, etc. We hadden tijdens deze actie
gedronken uit blikken waar benzine in gezeten had, om onze
enorme dorst te lessen. Hierna vertrokken ze naar diverse
buitenposten om deze te zuiveren en te bevoorraden. Verder
gegaan naar Bututurinan. Hier werden bomen gekapt voor de
gouverneur om schootsveld te hebben voor de nacht. Er werden
houten huizen in brand geschoten door de vijand om beter te
kunnen kijken. Het weg brengen van een houten kruis voor een
gesneuvelde soldaat Op een gegeven moment in 1949 vertrokken wij
's morgens vroeg met een vrachtwagen vanaf Siborong Borong om
een buitenpost te gaan foerageren in de rimboe aan de grens via
Atjeh. Wij waren geladen met diverse frisdranken en etenswaren.
Tevens hadden we een houtenkruis in de cabine van de
vrachtwagen. Deze was bedoeld om te plaatsen in die buitenpost
bij een gesneuvelde jongen. Achter op de vrachtwagen zaten ook
nog enkele koelies. De weg die we reden was niet verhard.
Onderweg kregen wij problemen omdat ploppers gaten gegraven
hadden in de weg, op zo'n manier dat de auto scheef ging hangen.
Het hobbelde vreselijk, dit was zeker slecht voor de nieren. Op
een gegeven moment kwam deze vrachtwagen in een verkeerd spoor
en gleed van de weg en kwam 6 meter lager met de wielen omhoog
tot stilstand.Wij kropen uit de cabine, het was een behoorlijk
rommeltje. Het geweer stak met de loop in het zand. De kaloes
die achterop zaten waren gewond. We hadden te weinig water,
zodat de wonden uitgespoeld moesten worden met limonade. Met
blauwe plekken, bulten en andere lichte verwondingen kwamen we
er toch goed vanaf. De reis konden we niet voortzetten, de
vrachtwagen is daarna opgetakeld en terug gebracht. De reis van
de buitenpost bij Balige terug naar Prapat Op deze buitenpost,
Balige, werkten militaire monteurs aan aggregaten die zorgden
voor de stroomvoorziening. Nadat we onze taken op de buitenpost
Balige waren vervuld, konden we kiezen of met de boot over het
Tobameer naar Prapat, of samen met de monteurs met de jeep via
Tapanoelie naar Prapat. Mijn vader en Pietje Willems besloten om
via het Tobameer te gaan. Deze mooie tocht over het water bleek
niet alleen de mooiste te zijn maar ook de veiligste. De
militaire monteurs die met de jeep via Tapanoelie gingen zijn
nooit aangekomen en bleken later op een vreselijke manier
vermoord te zijn. Sinds die tijd is het Tobameer meer dan alleen
maar een mooi meer. De reis terug naar huis via Java: Met de
Koninklijke Pakket Maatschappij gingen we met de boot naar
Bandung. Bankan en Beliton zijn 2 eilanden die gepasseerd werden
van Sumatra naar Java. Op Java verbleven we nog 3 weken in
Tjimaki, dit was voorheen een Jappen Kamp. Hierna werden we
opnieuw ingescheept. Dit keer vaarden we met een luxere boot
naar Nederland, de "General Sturgis" een Amerikaans
Liberty schip, waarschijnlijk om een goede indruk achter te
laten aan diegenen die ons zouden verwelkomen. De stemming aan
boord was zeer goed te noemen op de terug reis. We meerden aan
in de haven van Rotterdam. Vandaar uit ging het met de bus naar
Heeze. In Heeze stapte ik als eerste uit, familieleden en
buurtgenoten zorgden voor de ontvangst. Daarna hebben we nog
twee dagen feest gevierd. Van de familie kreeg ik als cadeau een
horloge en van de buurtgenoten een fiets. Van de officiële
instanties kreeg ik een oorkonde en een lintje. Hierna moest ik
nog 3 keer 3 weken op herhaling. |
| De
briefwisseling met Toos: |
| Contact
met huis was er alleen via brieven die per luchtpost kwamen. Af
en toe was er ook een gesproken woord in de vorm van een
grammofoonplaat. Dankzij die briefwisseling zijn mijn ouders
uiteindelijk na de derde herhaling in 1955 op dierendag met
elkaar getrouwd. |
| Een
Facteur:
Post: |
| Is
er post? Komt er nog post vandaag? Dit zijn de vragen, die mij
arme man, dagelijks gesteld werden. Niet eenmaal maar tientallen
malen. Heb ik de pech die vragen ontkennend te beantwoorden dan
is het of honderden tanks met hun organieke bemanning en
bewapening losbreken: ja…..rotfacteur, slome duikelaar, wat
doe de gij dan hier, goa maar op wacht, ge het toch noit niks,
enz, enz. Dan rest mij niet anders te doen dan na 18.00 uur de
mouwen een extra duw omhoog te geven. Goddank heb ik van nature
een flink omvangrijk postuur - al zeg ik het zelf - zodat men
zich wel wacht mij aan te vallen. Bereikt mij het bericht dat
ons aller vriend Laanen ter stede Medan is getogen en zeer
spoedig bepakt kan wederkeren, dan neem ik pet en ransel en stap
met rasse schreden ter Huize M.T. Daar aangekomen, och vrienden
ik wilde dat gij eens kondet zien, dan zie de een mens, ja een
mens druipend van 't zwoegen temidden van grote zakken, hij weet
gewoon geen raad. Ik zucht: "arme vriend Laanen, wa moet te
gij uw zelf toch afbeulen voor het luttele bedrag van honderd en
tachtig cents." Ineens brult hij: COMPIE,…. OPSCHIETEN…..HIER!
Glunderend stort ik de vangst in mijn ransel, werp hem met een
machtige zwaai over mijn schouders. Vandaag zal ik althans niet
uitgejouwd worden. Enige ogenblikken later sta ik geïnstalleerd
achter een ronde tafel (die we niet meer in hoefde te leveren
voor Den Haag) en lees duidelijk de namen der gelukkigen op. Dan
is het een poosje rustig men hoort papiergeritsel, hier een
diepe zucht van genot, daar een blijde uitroep…. Zo brengt de
facteur welvaart en geluk in alle huizen en keten. Vrienden, bij
het einde van onze taak overzee, nu we op het punt staan naar
huis en haard in ons landje aan de Zuiderzee terug te keren, is
't mij een behoefte U allen dank te zeggen, niet alleen voor de
welgemeende scheldwoorden en wat daarbij hoort maar ook voor het
vertrouwen dat gij in mij stelde.
"Een facteur" G. Boelens 3-5-11-R.I.
Naar het volgend
document over Nederlands - Indië
|
|