De Horster zusters op hun evacuatieadres in de achterhoek.

 

De Horster Zusters op hun evacuatieadres in de Achterhoek.                                 

Groenlo, 1 December 1944.

Eerwaarde en beminde Soeur Superieure en zusters,

Vanuit het lieve, gastvrije Groenlo kom ik U, uit naam van onze Eerwaarde Moeder eens wat over Groesbeek vertellen. 17 September (1944) zijn er inderdaad zweefvliegtuigen in Groesbeek, ook op de Horst gedaald. Wij zijn zondag, maandag en dinsdag vrij geweest, dus: Engels (leren). Maar dinsdagnacht hebben de Duitsers, onze "bevrijders"tot halverwege de hoofdweg naar het dorp Groesbeek (ongeveer wat verder als de huidige rotonde bij de Hulsbeek) teruggedreven. Soeur Antonie weet dat wel, tot Eikholt de wethouder. (ze zaten ook gedeeltelijk op het gebied van de na 1948 onstane straatnaam Koningin Wilhelminaweg).
Daar hebben de Duitsers, en ook de Engelsen zich toen ingegraven, zoals ze dat noemen, en zijn toen een stellingsoorlog begonnen.
Ons klooster en alle boerderijen van onze parochie, lagen dus in de vuurlinie. Wij zaten veilig in onze prachtige schuilkelders. Maar toen de hele Horst, zegge en schrijve 400 mensen bij ons een schuilplaats zochten, werd het toch wel wat erg. En toch hebben wij dat vijf volle weken uitgehouden. Al de mensen hebben elke dag warm middageten gehad.
't Ergste was, dat we al de eerste dagen zonder water en licht zaten. Er waren en kwamen veel zieken. De recreatiekamer lag vol: 28 (mensen). Mevrouw Staal, onze oudste pensionsgast en nog drie andere mensen zijn bediend. Twee daarvan zijn gestorven, ook Mevrouw Staal.
'n Juffrouw had buikvliesontsteking, en is in Doetinchem geopereerd. Verder zijn er drie jongens bij ons in het klooster door granaatscherven gedood. Al deze vijf doden zijn in onze tuin begraven. De eerste drie doden hebben een lijkkist gehad. De beide laatsten zijn, in een laken gewikkeld begraven. Och, och dat was zo zielig.
Die twee laatsten hadden zich zo buitengewoon verdienstelijk gemaakt voor de voedsel-voorziening, en gingen elke dag de koeien die rondliepen, soms drie kwartier ver, melken.
Aan eten hadden we geen gebrek. We slachtten een koe of varken als het vlees op was.
We hadden allerlei werklui in huis, slagers, smeden, schoenmakers, bakkers, timmerlui enz. enz.
De kruideniers, bakkers (Oomen, Coenen, Hoedemakers, Hofmans), en molenaar (Coenen) lieten allerlei etenswaren brengen. We leefden als de mensen uit de eerste Christentijden.
Over geld of vergoeding, of wat elk in bracht, werd nooit gesproken. We hebben samen gebeden, veel gebeden en geleden.
Elke dag hadden we drie H.H. Missen: een van Mijnheer Pastoor, een van Rector Pijnappels uit de parochie (woonde vooraan aan de Ketelstraat, ongeveer daar waar nu aan de rechterzijde de familie Theunissen woont.), en een van een Pater Jesuiet, die al enige maanden bij ons rustend was. Elke dag was er in een der kelders Lof. De H. Mis werd opgedragen in de kapelgang en Mijnheer Pastoor (van der Leeden) liep met het Communie uitreiken rond, bijgelicht door een misdienaar. Elk ontving de goede God staande en in de kelders zittend of liggend. In de catacomben moet het vroeger ook zo geweest zijn. Maar nu moet ik het vreselijkste nog vertellen: Zondag, ik geloof 15 Oktober (1944) kwam er een granaatvoltreffer in het kleine gangetje bij de refter.

Zusters van de Horst, vanuit Groenlo

Klik hier om naar pagina 2 van het verhaal te gaan