Hier volgt een lijst met woorden in het groesbeeks dialect, daarachter staat wat de betekenis van het woord of de zin in het Nederlands betekend. 

 

 Terug naar het begin  Naar pagina 2
Dun Huushááld = de huishouding
beste-vaot = grootvader
bes grootmoeder
voat =

vader

moet moeder
de kiender = de kinderen
enne blaag = een kind
enne denje = een meisje
enne knepper = een knaap
enne twè-delling een tweeling
vrollie = vrouwen
kè..Ls = mannen
mui..j = tante

 

Ut Geheugt huis en erf
ut mètje = het bezit of eigendom
d'n toomp van-ut huus = de hoek van het huis
de deil bijkeuken
spuulsteen = aanrecht
veenster = venster
proa..s leunstoel
toffel = tafel
bruspot = fornuispot
durslag = vergiet
koetse-waage = kinderwagen
kleerasie = kleding
heengkel-mnneke etenspotjes
schottel-slet = vaatdoek
gallege = bretels
slieps = stropdas
scholluk schort
de blei..k = wasweide
gruus-hok kolenhok
ien-et kot = in het schuurtje
ut remke = het raampje
de slauw de (water)slang
en loets = een speen
é-te en vrè-te = eten en vreten
taalder = eetbord
kwaakmoes = zuurkool
of dees? die? (als meervoud)
da mok zien = dat moet ik nog zien
ak et nie wus als ik 't niet gedacht had

 

 

gunter-wied = verderop
en schoer onweersbui
kááps alles verloren
strant =  brutaal
stantigheid lef hebben
stei..j plek of plaats
dor stodde dan = daar sta je dan
da stet dor = dat staat daar
heej west zich hij wast zich
swiembollen = duizelen
beswiemt = bewusteloos
dun onde ju = krachtterm
dun onde jen = krachtterm
dun onde jen = krachtterm
nakende jú = krachtterm
onnutte koe = scheldwoord
look-koek = scheldwoord
onnutte verrekkeling = scheldwoord
stuut als eerste
kwa..nt slim
we.rum = terug
irder eender
dukker vaker
juks = jeuk
hunje = hondje
peteetje = partijtje
strieken strijken
foepen = op en neer gaan
schielokken beloeren
tuusse ruilen
de soeg de trein
aksie = ruzie
duk = dikwijls
duts = deuk
mei..j af en toe
evvul = toch al
verrig = klaar
vrek brutaal
en toep (of flats een klap
en zoes een klap
salu = tot ziens
bis dan = to dan
bats 2.5 centstuk
klaafke heuveltje
en sèret een sigaret
de teun = tapkast
en bies = lichtelijk dronken
en smilje = lichtelijk dronken
en moj bies = half dronken
smorend zat geheel dronken
en del veel
en kui..nje = grote hoeveelheid
en kau..j del = grote hoeveelheid

 

erpels = aardappelen
look-saus = uiensjú
e..k = azijn
sa..lt = zout
weg of wek = brood
kappes = witte kool
kroe..t = stroop
piepkes-look = bieslook
en plaaske = een koekje
fiets = ondermelk
en tuutje = een zakje
en tasske = een tasje
striekhuiltje = lucifer
toffelkleed = tafellaken
ut huuske = de wc
koetele = vals spelen
besnieken = besluipen
foekse = stoten
belleke = schreeuwen of roepen
geláámetier = jammeren
smiespèle = fluisteren
kwatsen = dom praten
neu..le = zeuren
uut-ru-res = druk praten
greense = huilen
enne gefoekste = een dom iemand
enne stáánskop = een koppig iemand
umme nie? = dat is toch zo?
oe-waah = uitroep van verbazing
no wok = nu wilde ik
= iets beamen
wa? = wat
inter = of-wel
gemoost = gemoeten
da hek hoog = dat vertrouw ik niet
ekkes of iefkes = eventjes
verget da mar = vergeet dat maar
dan gok mar = dan ga ik maar
op slip zitten = op schoot zitten
disse of desse? = deze of die?
klef = heuvel
bis máán = tot morgen
vanne máán = vanmorgen

 

gen = geen
gen = graag
lè..g = laag bij de grond
altie = altijd
we din = we deden
zeikleemp = mier
huusklets = huismus
motkolf = vlaamse gaai
perts-jup = mestkever
panne-lepper = vlinder (dak)

 

hal va..st = houd vast
vastel-aovond = carnaval
mombakkes = masker
mak die deur toe = maak die deur dicht
pek-schieter = kattepult
hin en weer jutteren = heen en weer jakkeren
heej is gesleepe = een slim iemand
hand-valles = iets uit de handen laten glippen
de regels hebben = ongesteld zijn
wor wodde geej? = waar was jij?
nor de heija goan = naar bed gaan
laank holt = lang hout
veempen (vimpen) = een bosje dunne kachelhoutjes
kalde vuut = koude voeten
baare voets = blote voeten
táámtieren = treiteren
ien de knoefel = in de kreukels
vur de consuus = voor de pronk
verschendelesieren = vernielen
da keu..lt um = dat valt hem tegen
en haffel = een handvol
solde da wel = zou je dat wel
as le..st = als laatste
da stet = dat staat
zouwe = knoeien
zoomp = moeras
sle..g = pak slaag
spé..je = spugen
smieten = gooien
de buut = de buurt
 Terug naar het begin  Naar pagina 2