{- 61 -}
De morgen was merkwaardig kalm verlopen en rustig bleef het ook terwijl wij
het koffiemaal in de eetkamer gebruikten. Tot het ogenblik dat de meloen - een
van Ineke's verjaardag overgebleven traktatie - rondgedeeld werd. Opeens brak
de hel weer los, wij draafden naar de kelder. Paultje had gauw een reuze stuk
meloen in zijn mondje gepropt uit angst anders de begeerlijke vrucht te zullen
verspelen. Hij stikte er haast in en liep bovendien nog een ernstige vermaning
voor zijn laakbare gulzigheid op.
Om de 's nachts ontbeerde slaap in te halen gingen wij in de namiddag allen
rusten. Hoe dikwijls hielden de beschietingen ons niet uit de slaap. Bovendien
moest na iedere aanval een rondgang door het huis gemaakt worden om te zien of
er nergens schade was aangericht. Wij vreesden het meest voor brandbommen;
hadden wij niet gezien hoe de door deze projectielen
- 62 -
aangerichte schade bijna niet te blussen valt.
Ineke en ik waren van plan om later op de middag naar Elly's huis te gaan om
het in gereedheid te brengen voor nieuwe bewoners, wij zagen er evenwel geen
kans toe. Zwermen vliegtuigen daverden over, een verwoed luchtgevecht brak
boven ons los. Het was nog niet geëindigd toen Moeder, naar gewoonte stipt op
tijd, het nodig oordeelde voor het middagmaal te gaan zorgen.
"'t Gaat best" verzekerde zij, "als 't te erg wordt zal ik
achter de muren dekking zoeken." Tegelijk sloeg met een scherpe slag een
kogel tegen de buitenmuur van de keuken. Haastig sloten wij de luiken voor het
venster en Moeder ging met de rest van het van Zaterdag overgebleven beslag
ijverig Drie-in-de-pan bakken. Vanzelfsprekend aten wij in de kelder; de
hoofdschotel van ons maal bestond uit bieten met aardappels en spek.
Daar buiten het oorlogsgeweld, dood en verderf. En hier beneden "dinner
by candlelight"; het zachte kaarslicht dat de gedekte tafel en de kring
van gezichten rondom bescheen, een gevoel van gezelligheid en veiligheid
verspreidende. De onrust van Lies werd afgeleid door de gesprekken, ofschoon
zij pas werkelijk rustig was toen haar Jan, teruggekeerd van zijn tocht, weer
naast haar zat.
Zij waren met drie man op weg getogen; Jan, zijn vriend Hein - een der zoons
van Bertus-Ome - en een onderwijzer die Engels kende. Zij volgden de
Zevenheuvelenweg tot de Derde Baan en sloegen ter hoogte van Foxhill - het
hoge huis lag in puin - af om langs de heuvelrand door te lopen tot de paar
boerderijen die "De Klös" genoemd worden. Hier stonden Amerikaanse
voorposten, zij lieten hen door met een schouderophalen en de laconieke
opmerking: "'t Is gevaarlijk, maar als je nu bepaald je zin wilt
volgen."
Veel verder dan de tussen de linies gelegen Klös hadden zij zich toch niet
gewaagd, het schieten was te hevig. Zelfs Jan besefte welk een hachelijke
onderneming het zou zijn tot Vossendaal door te dringen.
- 62a -
Het was hard voor Jan om zo nabij zijn doel zijn plan op te geven. Hij zag het
ouderlijk huis op korte afstand voor zich liggen, naar het scheen
onbeschadigd. Maar hoe stond het met de bewoners, waren zij allen ongedeerd?
Het nabijgelegen dorp Wyler was zwaar gehavend door de beschietingen,
duidelijk vertoonde de kerktoren de sporen van verscheiden treffers.
Zij zagen de koeien van Bertus-Ome over de akkers ronddwalen en dreven de
beesten met de schapen en nog een vreemde koe in een klaverveld. Op de
terugweg waren de drie mannen getuige van het luchtgevecht waarvoor wij de
kelder opgezocht hadden. Een afdeling Stuka's deed een aanval op de Nijmeegse
brug, een zwerm Geallieerde vliegtuigen kwam aanzetten om hen te verjagen.
Twee Stuka's stortten brandend neer; het ene toestel viel in de Siep op
slechts enkele meters afstand van slachter Peters huis, diep boorde het zich
in de losse akkergrond.
Vandaag kletterden af en toe zware regenbuien neer. Er viel hierdoor veel
fruit af dat wij 's avonds gingen rapen.