44I Dagverhaal Vervolg |
blz 184 |
waren bruin geschroeid maar wonderlijk genoeg viel er nergens een
granaatscherf te bespeuren noch een gat in de aarde. Ook verhieven de
herfstasters geheel ongedeerd hun stralende kopjes nog fier omhoog. Later
hoorden wij hoe mensen op hun vlucht langs de Zevenheuvelenweg
achtereenvolgens drie granaten in onze heg hadden zien ontploffen.
De Zevenheuvelenweg was onderaan afgesloten met twee gevechtswagens; de
inzittenden staarden verwonderd naar die zeldzame voorbijgangster, hielden
haar echter niet aan en vroegen ook niet waar zij heen ging. In het verlaten
Ottenhofhuis waren thans soldaten genesteld.
Na het verslag over de toestand van zijn patiënt aangehoord te hebben stelde
de Dokter voor met mij mee terug te gaan, doch op mijn vraag of 't nodig was
antwoordde hij: "Nog niet, ik kan nu toch niets doen. Misschien vannacht,
U haalt mij dan wel, tenminste als U er door kunt."
Gewapend met medicijnen en voorschriften hoe te handelen verliet ik het
doktershuis. Daar het buiten rustig bleef besloot ik even bij het Klimhuis te
gaan zien hoe of de zaken bij onze buren stonden.
- 93 -
Tegen de gewoonte in was de achterdeur op slot; kloppen vond geen gehoor. Door
het keukenvenster zag ik op de tafel een trekpot, een paar koppen en een
botervlootje met het mes er in gestoken alsof iemand nog pas geleden
boterhammen gesmeerd had. De buren moesten dus nog thuis zijn. Terwijl ik
buiten voor het raam dit alles beschouwde en overwoog, vielen er een paar
schoten in mijn richting. Zeker afgevuurd door een ijverig O.D.-er, die in de
schemering een gestalte bij het huis opmerkte en mijn onschuldige
belangstelling voor de baatzuchtige van een plunderaar versleet. 't Was geen
prettige gewaarwording. Vlug liep ik verder, om het huis heen waarbij ik in
het buurhuis enig gestommel hoorde; even later vertoonde de bewoner - de
veldwachter - zich en beantwoordde mijn vraag naar de bewoners van het
Klimhuis met de mededeling dat zij in de namiddag overhaast naar Heumen
gevlucht waren.
Alsof een stem de woorden uitgesproken had, zo duidelijk klonk in de gedachten
het onheilspellende gezegde: "De ratten verlaten het zinkende
schip."
Bij hun thuiskomst vertellen de boeren dat er op de Lubert voortdurend
granaten gevallen zijn; klaarblijkelijk projectielen van een zwaarder kaliber
dan de gewone 88 m.m.. Een van de koeien werd dodelijk getroffen; zij hadden
het beest de hals afgesneden en uitgeweid. Amerikaanse soldaten hadden er
enige stukken vlees van afgesneden, Theo beloofde morgen ook een mooi stukje
voor ons te zullen meebrengen.
Theo heeft zijn radio naar Vogelsangh meegenomen: "dan kan Meneer er naar
luisteren en ons het nieuws vertellen" doch jammer genoeg is er nu juist
geen electrische stroom. Van ons allen betreurt Vader dat het meest.
Er is een granaat terecht gekomen op een van de schuilkelders van buurman van
K. de kalkzandsteenfabrikant. Hij heeft ze n.l. in soorten. Deze was gedekt
met een gegolfd ijzeren plaat waarop een eiken balk lag om door zijn gewicht
de plaat op zijn plaats te houden. Het ijzeren dakje werd in onze tuin
geworpen, de helft van de balk vonden wij
- 94 -
achter het huis in de boomgaard, het andere deel lag op het grind voor 't
huis. Als bewijs welk een geweldige kracht deze ontploffingen ontwikkelen.
Hoewel een paar van ons omstreeks twee uur in de nacht zwaar schieten hadden
gehoord, sliepen wij toch allen goed. Dank zij de tabletten die onze zorgzame
vriend de Dokter meegegeven had.
Zaterdag 30 September.
Het schieten was vanmorgen zo hevig dat niemand het waagde zich boven te
wassen; wij gingen om beurten toilet maken bij het fonteintje beneden en bij
de gootsteen in de keuken. Desalniettegenstaande vertrokken de boeren op de
gewone tijd. Spoedig kwamen zij weerom, de Cranenburgse baan was afgezet door
Ameri-kaanse posten. Het had niet geholpen of de boeren al
|