| 44L - Vervolg dagverhaal |
blz 202 |
waarschijnlijk eveneens onbekend waren in deze streek, in de
verkeerde richting gestuurd te worden.
Een lange, lange zwerftocht volgde over de winderige dijken. De weg was
grondig stukgereden door de zware legerwagens die er in onafgebroken
reeks over heen hotsten, links en rechts de modder verspattend. Aan
beide zijden van de rivier, zover het oog reikte, lagen de uiterwaarden
geheel bedekt met munitie; eindeloos reiden zich stapels aan stapels.
Een ontzaggelijke voorraad. Beklemmend drong het besef door hoe ver het
einde van den oorlog nog verwijderd was.
In de plaatsjes verderop verzekerde men dat het Ravensteinsche veer
onbruikbaar was, de Duitschers hadden immers de pont tot zinken
gebracht, de overzijde zou enkel te bereiken wezen over de Graafsche
brug. Anderen spraken dit tegen, maar de Graafsche brug diende
uitsluitend voor militair verkeer. Roeibootjes waren niet te bespeuren,
hoe nu? Al zwervende was ik tot Overasselt genaderd, op betrekkelijk
korte afstand rezen onze beboste heuvels op, daar achter woedde de
strijd, dreunend drong het kanongebulder tot hier door.
Een lange magere gestalte nadert, een bekende gestalte, onze metselaar.
De man die ondanks zijn strakke gezicht toch iedereen aan 't lachen wist
te maken door zijn rake opmerkingen, welk een verkwikking waren zijn
geestigheden niet geweest in de bezettingstijd, geestigheden die
gedebiteerd werden onder de neus van zijn onbewuste slachtoffers. Zijn
gelaat bleef altijd even zuur en onbewogen, maar hoe konden de ogen dan
tintelen! Nu was de uitdrukking van zijn trekken een geheel
- 12 -
andere, droevig staarden zijn ogen mij aan en de eerste vraag was:
"Wat is er van meneer en mevrouw geworden? Ik schrok toen ik U
alleen zag. Mijn kleine meisje is gestorven." En dan, als hij van
mijn zwerftocht hoort, raadt hij aan om naar onze burgemeester te gaan,
die in Overasselt is.
De burgemeester gaf de verzekering dat de Brabantsche oever zowel over
de Graafsche brug als met het Ravensteinsche veer te bereiken was.
Verder vertelde hij hoe zij gisteren het vaste voornemen hadden gehad in
de betonnen schuilkelder van de Bouwhoeve te blijven, evenwel zette om
vier uur in de namiddag een dermate hevig bombardement in dat langer
toeven onverantwoordelijk leek.
Op de heenweg had een O.D.wagen ons een eind meegenomen, op de terugweg
waren wij niet zo fortuinlijk. In 't eerst was Joris voor elke langs
rijdende legerwagen verschrikt opgesprongen, nu sukkelde hij
onverschillig, nat, moe en hongerig mee achter de niet minder natte,
vermoeide en hongerige Vrouw. Onze weg voerde langs enkele bakkerijen
die verleidelijke broodgeuren uitwasemden, maar wij konden niets kopen
wegens 't ontbreken van bonnen. In 't laatst werd de honger oppermachtig
en bij een Engelsche keukenwagen, waar de koks juist bezig waren
wittebroodsneden dik met getruffeerde leverkaas te beleggen, slikten wij
onze trots in en vroegen om een stukje brood. Ongekende ondervinding: te
schooien om eten. De kokshelper stak al een hand naar zo'n kostelijke
boterham uit, de ernstige oudere kok echter weigerde met beleefde
woorden: "Ziet U, wij mogen 't werkelijk niet, dus kunnen we 't
niet doen." en verwees ons naar een boerderij op de weg die wij
reeds afgelegd hadden, daar werd door een keukenwagen eten aan
vluchtelingen verstrekt.
Misschien was 't de verkeerde boerderij waar wij aanklopten, misschien
had er inderdaad wel een keukenwagen gestaan die nu vertrokken was, in
alle geval de gang leverde niets op en wij trokken weer verder,
hongerig, nat en koud en klemden de tanden op elkaar. Diep begroef de
Vrouw de handen in de zakken van haar jasje en vond daardoor,
- 13 -
o wonder! een vergeten stuk pepermunt. Broederlijk deelden wij 't samen
en 't fleurde ons aanmerkelijk op. Weer verder op de eindeloze weg.
Ergens een onaanzienlijk arbeiderswoninkje, een man aan 't werk in den
hof die zo vriendelijk goedendag zeide dat ik het waagde het huisje
binnen te stappen en om een boterham te vragen. Een klein schamel
keukentje, een armoedig, afgewerkt vrouwtje.
|