| 44M - Vervolg dagverhaal |
blz 213 |
's Avonds deelden wij onze gastheer het voornemen mede om naar een
ander kwartier uit te zien. De goede man was merkbaar opgelucht door ons
voorstel, want nu het huis door zovelen bewoond werd, wilde zijn vrouw
ook wel weer terugkeren.
In 't donker met Schot ons gewone loopje over den dijk makende zagen wij
rondom de schijn der vuurmonden oplichten. Een nauwe, lugubere
toverkring die ons omsluit. 's-Hertogenbosch nog in Duitse handen, de
Betuwe eveneens voor het allergrootste deel, Arnhem opgegeven en de
doorgang naar ons bevrijde gebied reeds enige malen afgesneden.
Rooskleurig was de toestand nog niet. In Maas-en-Waal patrouilleert de
uit Engeland gekomen Irene-Brigade en de Orde-Dienst van de streek. De
Duitsers doen hier telkens invallen vanaf de overzijde van de Waal,
verjagen de mannen uit de huizen, die ze in brand steken. De mannen
worden neergestoken ter plaatse, z.g. "wegens hulp aan de
vijand", of medegenomen als slaven-arbeiders.
Schrille tegenstelling: uit het Veerhuis galmen de klanken van muziek en
gezang, daar is feest voor de soldaten.
Gelijk iederen nacht kwamen er, toen wij te bed lagen, vliegtuigen over,
- 34 -
het afweergeschut knetterde en bommen dreunden neer. Op verlangen van
onzen huisheer sloten wij de buitendeur nimmer af, opdat de buren ten
allen tijde in de kelder van het Posthuis veiligheid zouden kunnen
zoeken. In deze open-deur-politiek stak voor ons, bovenbewoners, niet
het minste risico. Geen enkele insluiper toch zou in het duister het
meest halsbrekende van alle ijzeren wenteltrapjes hebben kunnen
beklimmen zonder er prompt af te duikelen. Ondertussen waren wij het die
dien nacht onze ledematen moesten wagen om de bevreesde buren in te
laten, aangezien onze nieuwe medebewoners de voordeur veilig op slot en
grendel hadden gedaan en man noch vrouw de moed kon opbrengen open te
gaan doen op het onafgebroken kloppen, bellen en angstige roepen,
onderwijl de ontploffingen steeds dichterbij daverden. De volgende
morgen verontschuldigden zij zich: "Je kon toch nooit weten wat er
was ....."
"Hazenharten!" scholden wij hen uit "en jullie bent nog
wel met zovelen en zulke ferme mannen er bij!" Inderdaad had zelfs
een van hen in Groesbeek geparadeerd als O.D.-er, met de oranjeband om
de mouw.
De volgende dag waren wij vroeg opgestaan en spraken bij 't ontbijt af
ieder op eigen gelegenheid naar een andere huisvesting te zullen gaan
zoeken. Til zou op de fiets de omtrek verkennen en Lien zou naar den
heer M. gaan die haar bij voorkomende gelegenheden hulp had toegezegd.
Zelf begaf ik mij naar het naburige dorpje, waar Hoefnagels bij een
vriend woonde. De immer hulpvaardige man had er helaas het loodje bij
gelegd. Overwerkt en ziek lag hij te bed, doch beloofde toch moeite voor
ons te zullen doen met behulp van zijn vriend. In de namiddag moest ik
maar eens terugkomen om te horen of zij geslaagd waren.
Nieuwsgierig naar wat de speurtocht van mijn beide lotgenoten opgeleverd
had, keerde ik nat en moe in het Posthuis weer. Edoch, de beide dames
bleken hun morgen besteed te hebben aan een bezoek bij de kapper, wat
ongetwijfeld evenmin uitstel had kunnen lijden. 't Kwam voor hen toch
goed uit; reeds diezelfde middag werden zij door de bemoeiingen van
Hoefnagels opgenomen in een aardig, modern landhuis, een der
- 35 -
zeldzame nieuwe woningen in het oude stadje, het was op de voormalige
vestingwal gebouwd en omringd door een ruime tuin. Die niet al te best
onderhouden tuin, welk een uitgezocht speelterrein vormde hij voor
Henkie en zijn vriendjes; ook Paul zou er menigmaal van genieten. Alles
wat een jongenshart begeren kan, was hier aanwezig. Struiken om zich in
te verstoppen en hoge bomen om in te klimmen, Hoogten en laagten, een
gracht om aan de waterkant te ploeteren en natte voeten op te doen bij
visvangst of kikkerjacht. De onuitputtelijkste bron van genoegen vormden
de onderaardse gangen, overblijfselen van de oude verstingwerken. Het
was de jongens streng verboden zich hierin te wagen, maar de verzoeking
was te groot, zij deden het natuurlijk toch. En dan lag er nog op het
hoogste punt van de wal het tuinhuis dat uitzicht gaf op de Maas en van
waar men de schietoefeningen der soldaten kon volgen en de werkzaamheden
aan de spoorbrug. Dit tuinhuis zou menigmaal belegerd en bestormd
worden. Want deze in oorlogstijd opgroeiende
|