| 44M - Vervolg dagverhaal |
blz 216 |
etenstijd bij Vader en Moeder komende, wachtte daar
een aangename verrassing: onze vrienden de Groesbeekse Dominee en zijn
vrouw. Zij hadden met een auto mee kunnen rijden naar Ravenstein en
vertelden onderdak te hebben gevonden op een boerderij bij Leur, samen
met het gezin van een kerkeraadslid. 't Zou waarschijnlijk niet voor
lang zijn, daar alle vluchtelingen aanzegging gekregen hadden om over de
Maas naar Brabant te trekken. De Geallieerden gevoelden bezwaren tegen
de opeenhoping van mensen vlak achter het front, die hun bewegingen
belemmerden. Zij zagen
- 39 -
daarbij een mogelijkheid onder ogen waar wij met ons onbegrensd
vertrouwen in Geallieerde macht niet aan dachten, n.l. aan een
terugdrijven van het tegenwoordige front. De débacle die een terugtocht
gegeven zou hebben in dat met mensen overvulde gebied .....
Die namiddag ging ik naar Wychen om te trachten uit te vinden wat er van
verschillende vrienden en bekenden was geworden en in 't bizonder om te
zien of wij onze oude vriendin, die ik de vorige keer nog in het
klooster Tienakker gesproken had, van dienst konden zijn.
't Was druk op dijken en wegen met grote legerwagens vol munitie. Nu
lagen de geweldige voorraden granaten niet meer uitsluitend op de
uiterwaarden doch eveneens langs de wegen opgestapeld. De Kasteellaan
was aan weerskanten omzoomd door hoge wallen van projectielen.
Vriendelijk grijnzende negers bewaakten ze tegen de opdringende
belangstelling van de dorpsjeugd.
Een vijandelijk vliegtuig streek over, ergens ratelde afweergeschut, in
de nabijheid vielen bommen. Welk een ramp zou reeds een enkele bom hier
met al die munitie in dit overvolle dorp kunnen veroorzaken! De noodzaak
om de tijdelijke bevolking naar elders te verplaatsen was duidelijk.
Rondom het klooster Tienakker lagen Schotse troepen gelegerd. De van het
vorige bezoek bekende deur binnen- en de trap opgaande, waren er niets
dan verlaten, lege ruimten te zien. Beneden geklopt op een willekeurige
deur, een boom van een Schot opende deze. Neen, hij kon mij niet
inlichten, misschien zou de Padre kunnen helpen, en hij bracht mij bij
een eveneens zeer vriendelijke Capucijnerpater. De Padre veronderstelde
dat de bewoners van het Groesbeekse klooster naar Uden waren vervoerd,
"maar vraagt U 't aan de Zusters hier" en hij geleidde mij
buitenom naar een deur zo groot als een kasteelpoort. Deze machtige
poort opende zich langzaam, met moeite, wat geen wonder was want er
achter vandaan verscheen een klein meisje van naar schatting een jaar of
tien. Een grappig figuurtje met haar korte rokjes en stijve
- 40 -
vlechtjes en de zelfverzekerdheid van een oude dienstmaagd, waar zij ook
het lange witte schort van droeg, dat bij haar tot op de schoenen hing.
Zij liet mij in een vertrek met vele boekenrijen langs de wanden,
kennelijk de bibliotheek. Er heerschte een zeer weinig kloosterlijke
wanorde; een veldbed, geweren, scheergerei en Engelse kranten lagen
verspreid, ook hier huisden soldaten.
De verschrikt uitziende Zuster Portierster verzekerde nergens iets van
af te weten - uit overgrote voorzichtigheid naar 't mij toescheen - en
loodste mij fluks het gebouw weer uit.
Na veel vragen en omzwervingen door geheel Wychen voerde de weg opnieuw
naar het klooster. Op de besliste verklaring de Moeder-Overste zelf te
moeten spreken bracht de kleine dienstmaagd mij ditmaal in een ascetisch
propere kloosterspreekkamer die onberoerd door de militairen was
gebleven. Lang liet de Moeder-Overste niet op zich wachten. Zij vertelde
dat niemand, de soldaten die de wagens bestuurden niet uitgezonderd, de
bestemming had geweten van het transport hetwelk de Groesbeekse Zusters
vervoerde. Alleen de Commandant, hij had op haar vraag geluidloos met de
lippen de naam Uden gevormd, echter dadelijk daarop tot zwijgen
aanmanend de vinger op de mond gelegd.
"Maar ik kon de Moeder-Overste van Mariendaal toch ook niet in
ongerustheid laten" zeide zij met een fijn lachje "en daarom
heb ik haar verzekerd overtuigd te zijn dat zij zich allen vanavond
volkomen thuis zouden gevoelen en voorzeker van ganscher harte een Te
Deum zouden aanheffen!"
|