| 44N - Vervolg dagverhaal |
blz 217 |
Nu restte nog te weten wat er van de dames van
Mariendaal geworden was. Men had hen eveneens met een grote wagen
weggevoerd, doch zij kon evenwel zelfs niet gissen met welke bestemming.
Zo hadden wij onze oude vriendin geheel uit het oog verloren en konden
niets meer voor haar doen dan hopen dat het lot de bijna tachtigjarige
genadig mocht zijn.
- 40a -
Bij het kasteel van Wychen kwam ik door een gelukkig toeval een
Groesbeker tegen die mij kon vertellen waar de kinderen van onze oude
tuinman onderdak hadden gevonden. De grote bewaarplaats van een
brandstoffenhandelaar, zwart van 't gruis en half open. In een
afgesloten hokje, niet al te dicht en niet al te proper, huisden de drie
jonge echtparen: de jonge tuinman Theo en zijn vrouw, zijn zuster Dina -
eveneens een goede bekende, zij had voor haar huwelijk bij ons gediend -
met haar man Wim, de machinist van de boterfabriek. Het derde span
bestond uit Wim's zuster en haar man de postbode.
Arme Dina barstte in tranen uit toen ik naar haar kindje vroeg.
"Ons Dineke is dood! Zij was al ziek geworden in Groesbeek, ze kon
er niet tegen, die hele dagen en nachten in de kelder en 't was toch
altijd zo'n gezond kindje. Deze dokter kon haar ook niet beter maken en
nu is zij drie dagen geleden gehemeld, wij hebben haar hier
begraven."
De anderen begonnen over de laatste dagen in Groesbeek en over hun
vlucht te vertellen, een lang relaas dat eindigde met: "'t Is hier
wel niet zo mooi waar wij zitten, maar och, wij zijn hier nu gewend en
nou moeten we weer vort, Zondag al. Ze zullen ons nog verder van huis
brengen, over de Maas naar Ravenstein in Brabant. Weet U soms waar dat
ergens ligt?"
"Dat zou ik denken, dan komen jullie bij ons! In Ravenstein zitten
een hele massa Groesbekers!"
"Bent U daar heus met de gehele familie en zijn er nog meer uit ons
dorp?" klonk het verheugd "Dus dan komen we er niet helemaal
tussen vreemden, nu dan zullen we 't er ook wel zolang kunnen
uithouden!"
"En allicht krijgen jullie er een beter onderdak dan hier"
hield ik hen voor. Het viel de Groesbekers zo zwaar om in den vreemde te
leven. Voor ons betekende het enkele feit in een andere omgeving te
moeten
- 40b -
vertoeven geen ramp op zich zelf. Hoe menigmaal hadden wij niet louter
voor genoegen en ontspanning vreemde plaatsen en landstreken bezocht.
Voor ons werd het gedwongen verblijf ver van huis en haard tot een
beproeving door het ontbreken van de gemakken waaraan wij gewoon waren
en vooral door het ontberen van zovele dingen die ons leven
veraangenaamd en geestelijk verrijkt hadden.
Voor het merendeel der Groesbekers, die ternauwernood of nooit van huis
waren geweest, was het juist het gemis van de vertrouwde omgeving dat
het zwaarste woog. De jongeren voelden zich onwennig en verloren zonder
hun dagelijkse werk. De huisvrouwen hadden te kampen met allerlei
ongewone zorgen en ongemakken die de primitieve huisvesting meebracht.
Vele oudjes werden ziek van heimwee, een menigeen heeft de scheiding en
wellicht in nog sterker mate de aanschouwde verwoesting van al het
vertrouwde een voortijdige dood bereid.
Onze oude tuinman en zijn vrouw waren slechts kort in Wychen geweest.
Theo had zijn oudste zuster een haar man, die op een boerderij in
Brabant woonden, weten te waarschuwen en dadelijk waren zij met kar en
paard gekomen om vader en moeder af te halen. Op die boerderij hebben
zij de gehele evacuatietijd wel niet rustig - 't huis lag vlak bij het
grote vliegveld van Uden - maar toch in bekende omgeving en omringd door
liefdevolle zorgen doorgebracht.
Die avond betrok ik mijn nieuwe kwartier. Weer was 't het moederlijke
vrouwtje dat de voordeur opende en mij naar de grote achterkamer
- 41 -
bracht. Een kamer uit betovergrootvaders tijd, vrij laag van verdieping
met een groen geverfde balkenzoldering en vensterbanken om in te zitten.
Thans waren de binnenluiken gesloten, overdag zou ik bemerken dat de
vensters uitzicht gaven op tuinen begrensd door de buitengracht.
|