| 44N - Vervolg dagverhaal |
blz 223 |
Wij hadden ruimschoots gelegenheid om al deze dingen op te merken, de
preek vermocht ons niet te boeien, noch het hart te verwarmen. Of lag 't
aan de ijzig kille atmosfeer in de kerk? Wij zaten met ons drieën dicht
opeen gedrongen, warmte zoekend tegen elkaar aan. Bij geluk was 't een
gesloten bank. Boer Romein had ons plechtstatig naar de Herenbank
geleid, zeggende dat wij hierover voortaan beschikken konden. Voor ons
op de lessenaar lagen psalmboeken die zeker dateerden uit den tijd van
den oprichting, een el hoog, met vierkanten noten en letters van een
formaat dat op tientallen meters afstand nog te lezen was.
Verkleumd, versteend tot in merg en been kwamen wij thuis en namen ons
voor om ons in 't vervolg met reisdekens te wapenen tegen de koude.
- 52 -
De drie jonge paren uit Wychen zouden tegen het middaguur in Ravenstein
aankomen en wij hadden ons voorgenomen om hen aan 't veer te begroeten.
Na de kille kerk lokte de koude, winderige dijk weinig aan. Toch even de
veerweg afgelopen; daar reed juist een wagen met het zestal de pont af
en tegen den dijk op, zodat wij hen bij het binnenrijden van Ravenstein
het welkom konden toeroepen.
Op deze Zondagmiddag zijn wij uitgenodigd bij mevrouw B., met welke dame
Ineke reeds kennis gemaakt heeft door hare zusters, die in de gaarkeuken
helpen met de uitdeling van het eten. Haar woning is blijkbaar voor de
gehele familie de voortzetting van het ouderlijk huis. De ongetrouwde
zusters vinden er hun thuis, de broeders - twee zijn geestelijken -
komen er telkens binnenvallen. Mevrouw B. is weduwe, zij heeft een paar
dochters, aardige lieve meisjes van vijftien, zestien jaar. En dan is er
nog een klein maar zeer gewichtig personage in huis en wel rondwangige,
blozende, bruinogige Monica, Moontje genaamd, een nichtje uit Amsterdam,
nauwelijks drie turven hoog en nog geen drie jaren oud. Van den zomer
was zij uit Holland naar Brabant gebracht om in dat land van overvloed
aan te sterken en nu, door de bevrijding van hare ouders afgesneden, is
zij bij de Tantes gebleven, waar zij zich volkomen thuis voelt. Niemand
zou thans in Moontje een Amsterdams Bleekneusje vermoeden, zij is
Brabants welvaren.
Zesjarige Paultje verloor aanstonds aan Moontje zijn hartje, door haar
deed hij zijn eerste ondervindingen met meisjes op. Paultje, die altijd
de leiding nam met spelletjes en ook over oudere jongens de baas wist te
spelen, schikte zich gewillig naar wat Moontje decreteerde. Want als
Moontje ergens geen zin in had en neen zeide, dan bleef het neen,
mollige Moontje was zo hard als een keisteen. Dat gaf wel eens een voor
beiden zeer heilzame botsing, doch 't slot was toch altijd dat Paul
edelmoedig bakzeil haalde en het door Moontje verkozen spel meespeelde.
Ongemerkt sloegen wij vanuit de voorkamer het gedoe in de als
kinderkamer ingerichte serre gade en vermaakten ons er
- 53 -
kostelijk mee.
Als wij zo genoegelijk en huiselijk samen zitten, volgt de uitnodiging
om te blijven voor het avondeten. Hoe gezellig was dat, bij kaarslicht,
aan een keurig gedekte tafel. En hoe voortreffelijk alles wat wij
voorgezet kregen: een ragout van wild konijn, fijn wittebrood met worst
en spek van eigen slacht, zelfgemaakte jam.
Gedurende een paar uur vergaten wij vluchtelingen te zijn, om het op de
terugweg naar het stadje weer dubbel en dwars te gevoelen. 't
Stortregende en 't was aardedonker. Als men ons niet een electrisch
lampje meegegeven had, zouden wij geen heg of steg hebben kunnen
onderscheiden. Zoals gebruikelijk bij de toegangswegen tot vestingen,
kronkelde ook deze weg met enige scherpe hoeken voordat hij de brug over
de gracht bereikte. De brug lag niet in de as van de weg en menigeen
liep daar bij duisternis ongewild de steile kant af en het water in. Wat
voor een voetganger gevaar opleverde, deed dit in nog veel grotere mate
voor het wagentje van Vader. Op al de duistere Zondagavonden dat wij
langs dit punt kwamen heeft Vader waarschijnlijk meer angsten uitgestaan
dan hem ooit vroeger in moeilijker omstandigheden te paard, per auto of
in een vliegtuig overkomen was. Gelukkig bemerkten thans een paar mannen
van de O.D. het wagentje. Zij gingen ons voor en verlichtten met hun
lantaarns onze weg. En bij de Plaats nam de wacht met zijn toorts hun
taak over.
|