| 44O - Vervolg dagverhaal |
blz 230 |
waren de fruitboeren blij althans een deel van hun oogst, die dat
jaar buitengewoon overvloedig was, te kunnen kwijtraken. Op een van die
tochten om vruchten te halen ving ik het volgende gesprek tussen onze
Paultje een zijn vriendje Henkie op. De beide kleine jongens stapten een
eindje voor mij uit, druk redenerend als een paar zorgelijke oude
mannetjes. Ze hadden mijn aanwezigheid blijkbaar vergeten. De handjes
diep in de zakken gestopt; 't was guur op de winderige dijk en beider
wanten waren achtergebleven bij de vlucht uit Groesbeek. Paultje slank,
tenger en kaarsrecht in het uit de uniformjas van zijn vader gemaakt
grijs-groen overjasje. Henkie groter en forser maar thans met door de
zwarigheden des levens gebogen schouders.
- 67 -
Henkie verklaarde met ongeveinsde wanhoop in zijn stem dat hij het eten
niet meer naar binnen kon krijgen sedert hij er ziek van was geworden.
"Och jô, laat je niet kisten!" Die uitdrukking had zijn
opgewekte vriendje bepaaldelijk niet van zijn keurige grootouders
geleerd. "Als je maar wilt krijg je 't best naar binnen."
"Ja maar ik wil juist niet, dat rotspul kan ik niet slikken, ik
word er misselijk van."
Paultje die pas aan de maaltijd gelijksoortige argumenten had aangevoerd
om zijn portie te laten staan, herhaalde nu heel wijs alle
wederleggingen die hij zelf te horen had gekregen. Tot heimelijk vermaak
van zijn tante, hij had blijkbaar zijn les goed onthouden. Het gelukte
hem werkelijk zijn vriend uit de put te helpen en even later holden zij
weer als een paar zorgeloze jongens met de hond de dijk op en af.
Een of twee malen per week gingen wij vruchten halen bij een boerderij
op een half uur gaans van het stadje. Als de wind niet al te straf was
namen wij de weg over den dijk, anders volgden wij het binnenpaadje dat
langs hofsteden en door akkers kronkelde, maar dat lelijk modderig kon
zijn.
De bewuste boerderij was door een vroegere burgemeester van Ravenstein
gebouwd om als zomerverblijf te dienen, het statige royale voorhuis gaf
er het uiterlijk van een buiten aan. De burgemeester was blijkbaar een
groot liefhebber van fruit geweest en tevens een goed kenner van de
fijnste soorten. In dit huis had Dominee R. met zijn vrouw en zeven
kinderen onderdak gevonden en 't zij hier ruiterlijk bekend, wij
benijdden hen om dit kwartier. Het ruime huis, het uitzicht over de
landerijen en de rivier, de bijbehorende boomgaard en moestuin, de
koeien en kippen, voorzeker zij zouden aan niets gebrek hebben. Hoe ver
was de werkelijkheid van onze veronderstelling verwijderd, hoe
kortzichtig waren wij om niet op te merken dat de kinderen zowel als de
ouders er mager en bleek uitzagen. Dat wij nooit de betekenis begrepen
hadden van de begerige
- 68 -
blikken naar de appels die wij in onze rugzak pakten. Wij twijfelden
niet of bij zo'n uitgestrekte boomgaard waar vanzelfsprekend veel afviel
zouden de kinderen naar hartelust appels mogen eten.
Pas toen de predikantsvrouw onder vier ogen haar overvloeiende hart eens
luchtte hoorden wij dat zelfs het minderwaardige afgevallen fruit
verboden waar was. Dat ging naar de varkens en de vluchtelingen kregen
ze enkel ten eten in de vorm van het landelijke gerecht hete bliksem.
Voor wie het niet kent: aardappels en appels dooreengestampt en met
rijkelijk spek vermengd. Hier echter, zoals ook bij de hete bliksem van
de gaarkeuken, was het spekvet ver te zoeken. Twee maal per dag, eenige
weken lang, kreeg het ongelukkige predikantsgezin, met uitzondering van
het ontbijt, niets anders voorgezet. De brave Dominee verklaarde dat hij
haast ging vloeken als hij de naam van het gehate gerecht hoorde noemen
en zijn vrouw stelde bezorgd vast hoe haar gehele gezin er maag en
darmstoornissen van had gekregen. Een bezoeking waren de appels in dat
huis, voor de appels week alles, het ganse ruime voorhuis diende als
bewaarplaats voor appels en zij moesten zich behelpen met twee bedompte
kleine kamertjes, vader, moeder en zeven kinderen, waar nauwelijks iets
van een bed in stond. Voor dagverblijf diende een grote blauwgeplavuisde
boerenkeuken, een kale, holle ruimte.
De arme predikantsvrouw, blij een belangstellend oor te vinden, vertelde
in één adem door: over de vlucht uit hun dorpje in de Betuwe, dat
vanaf de Veluwse heuvelen door de Duitsers aan puin geschoten werd. Een
paar keren waren de Duitsers de Rijn overgestoken, de Dominee was nog
|