| 44Q - Vervolg dagverhaal |
blz 253 |
Het tweede opzienbarende voorval vormde de aankomst van een brief.
Een brief voor Vader van zijn vriend uit Breda. Tegen alle
waarschijnlijkheid in hoopten wij dat dit schrijven een antwoord zou
bevatten op het pas verzonden verzoek om naar Breda te mogen komen. Wat
toch waarlijk niet mogelijk was bij de traagheid waarmee alle verkeer
plaats vond. De brief behelsde weinig nieuws dat wij niet reeds wisten.
Het epistel was over Nijmegen naar Ravenstein gezonden en bij gebrek aan
bekend adres aan het gemeentehuis afgegeven. Hent, de stadsbode en
tevens stadsomroeper, kwam hem brengen. Want dit stadje, een enclave in
de moderne tijd waarin de eeuwen schijnen te zijn blijven stilstaan,
bezit nog een stadsomroeper en zijn baantje is geen sinecure. Menigmaal
komt hij elke dag aanfietsen - die fiets is het enige wat aan de
twintigste eeuw herinnert - om na afgestapt te zijn langdurig met een
grote bel te luiden, waarop hoofden in alle ramen verschijnen en mensen
in alle deuren. Hij galmt iets beginnende met "verloren" of
"noodslachting", de rest is meestal onverstaanbaar en Hent is
alweer verder gereden voordat men hem tekst en uitleg kan vragen.
Zondag 26 November.
Na de kerk gaan Paultje en ik bij de Maas kijken. De Engelsen zijn
voornemens een brug te slaan en nu druk in de weer met het uitladen van
balken, tonnen en planken. Paultje is aanstonds verdiept in de werking
van de vier kranen, hij vergeet alles om zich heen en voelt
- 110 -
koude noch gure wind en deze blaast toch fel op de hoge dijk. Door de
aanhoudende regens is de rivier gezwollen en de stroom sterk. Alle
bouwstoffen voor de brug worden op de uiterwaarden gebracht. Volgens de
Ravensteiners liggen zij daar helemaal verkeerd: als de Maas stijgt -
wat zij zeker zal doen - loopt alles onder en wordt meegesleurd.
Welgemeende waarschuwingen aan onze Bevrijders worden door hen met een
superieure glimlach in de wind geslagen. "Die Engelsen hebben de
wijsheid in pacht, ze weten alles beter, maar begrip van onze rivieren
hebben ze niet in 't minst. Zij zullen 't wel ondervinden tot hun eigen
scha" is de algemene verzuchting.
De heer van Z. die als O.D.er met zijn wagen Brabant geregeld
doorkruist, heeft aan Moeder en Ineke aangeboden om hen naar Eindhoven
mee te nemen. Ineke, wier verblijf in die stad kort voor de invasie
ontijdig was afgebroken, is in de wolken met deze gelegenheid om haar
kleren op te halen. Vooral nu haar mooie jurkjes zo goed te pas zullen
komen bij de vele dancings die de Engelse officieren op touw zetten.
Hoe prettig Moeder en Ineke 't ook vinden om even uit de ban van
Ravenstein te breken, toch wordt het een trieste reis door het Brabantse
land waar de oorlog overal sporen van verwoestingen heeft achter
gelaten.
Ineke is het enige meisje in Ravenstein dat Engels geleerd heeft.
Menigmaal wordt een beroep op haar gedaan om voor tolk te spelen; ook
onder het mannelijk deel der bevolking zijn slechts weinigen die taal
machtig. Daar behoort in alle geval de loco-burgemeester niet bij; hij
beheerst enkel het Nederlands, in een Brabantse uitgave. Wat wel eens
moeilijkheden oplevert nu hij telkens met Engels sprekende machthebbers
te doen heeft. Laatst bij een feestelijke gelegenheid toen hij een
toespraak tot de commandant van Ravenstein moest houden werd, als enige
aanwezige die hiertoe in staat was, Ineke aangezocht de gehele
redevoering voor de vuist weg te vertalen.
De zoon van het tijdelijk hoofd der gemeente, een jongmens dat zich
- 111 -
bovenmate voelt, heeft in mijn herinnering een indruk achter gelaten
door een onnozel, doch voor de mentaliteit van het jongmens tekenend
voorval.
Uit zelfbehoud, om niet te versuffen of in zwaarmoedig getob onder te
gaan, dient een vluchteling bezigheid te zoeken. Om die reden had ik
aangeboden de tuin van Mevrouw B. op te knappen. Met klompen aan bij 't
werk in de natte grond was ik druk bezig in de border en genoot er van
weer eens te kunnen tuinieren. Daar trad 's burgemeesters zoon,
vergezeld van Bob de onderduiker, het tuinhekje binnen. Hij oordeelde
blijkbaar, volgens zijn opvatting natuurlijk terecht, dat een vrouw op
klompen nooit een dame kan zijn en bijgevolg geen aanspraak op
wellevendheid
|