| 44T - Vervolg dagverhaal |
blz 278 |
De baas van de woonwagen kwam eens op zijn bordesje kijken welke
zonderling 't in zijn hoofd haalde om in de sneeuw en ijzige kou een
wandeling te maken. Na een groet gewisseld te hebben vroeg ik hem of het
niet ongezellig was 's nachts met al die bommen die overvlogen.
"Och, je went aan alles wanneer je maar tijd van leven hebt"
antwoordde hij stoïcijns, "zolang ze maar niet te dicht in de
buurt neervallen en de Vrouw haar koffiekumkes heel houdt, kan 't ons
verder niet bommen."
Vrijdag 29 December.
Vandaag bereikte mij de eerste brief uit Breda. Onze bezorgdheid over
de afloop van die reis in de duisternis op de drukke weg door Brabant
bleek niet ongegrond te zijn geweest. De auto is ergens tegen een half
op de weg staande onverlichte jeep aangereden. 't Gaf een geweldige
klap, het portier aan de ene kant werd als een
- 161 -
sardineblikje open gereten, de ruiten gingen in scherven, de inzittenden
werden door elkaar gesmeten. Tot hun eigen verwondering kwamen zij er
heelhuids af, zelfs Paultje die aan de beschadigde zijde had gezeten.
Toch is de kleine jongen niet op dreef, hij ziet er slecht uit en lijdt
voortdurend aan hoofdpijn. De Dokter veronderstelde dat hij een shock
heeft gehad en raadde enige dagen rust aan. "Paul voelt zich
helemaal niet thuis in breda, evenmin als ik" schrijft zijn
Grootje. Zij heeft dadelijk werk van een school gemaakt; tussen kinderen
van zijn eigen leeftijd en met de geregelde bezigheid zal 't wennen wel
gemakkelijker gaan. Onze inspanning om hem onderwijs in de eerste
beginselen van de schoolkennis te geven, blijkt vrucht gedragen te
hebben: Paultje is nog verder gevorderd dan de andere leerlingetjes van
zijn klas.
Van de militairen die ons geregeld bezochten is enkel Ernest
overgebleven. De jonge man die tevoren zijn naam weinig eer aan deed -
zelfs de meisjes verveelde hij met zijn flauwe grapjes - ontpopt zich nu
hij alleen is tot een onderhoudend prater. Eerst thans vernemen wij dat
hij de veldtochten in Palestina, Cyrenaica, Cyprus en Egypte heeft
meegemaakt; hij weet allerlei bizonderheden te vertellen over die
Oosterse landen. Zijn oordeel over Egypte is gelijkluidend aan dat van
Jack en Frank: te veel stof, te veel vliegen, een onzegbare smeerboel
en, het ergste van al, een onbetrouwbare, grenzeloos inhalige bevolking.
Over de toestanden in het Britse leger is Ernest vol lof. De manschappen
worden menswaardig behandeld en uitstekend verzorgd. De Engelsen thuis
zouden wel willen dat zij volop van zulk heerlijk eten kregen en zoveel
sigaretten! Er zijn slechts twee zaken die hem niet bevallen. Het ene is
het openbare doktersappèl; 't neemt de laatste illusie van privy life
van je weg en bovendien behoeven de kameraden toch niet ingewijd te
worden in wat je mankeert. Het andere is de gedwongen kerkgang.
"Dat mag misschien goed zijn geweest in de tijd van
- 162 -
Wellington en in de Victorian age, doch tegenwoordig zijn wij mensen het
anders gewend, wij zijn geen kudde meer. Ofschoon ....." Ernest
aarzelt even om de gedachte die zich aan hem opdringt, te uiten, dan
gaat hij toch verder: "Het dienen in het leger vormt ons eigenlijk
helemaal tot een kudde. Alles op commando: eten, slapen, oefenen, baden;
zelfs waar je je verlof mag doorbrengen wordt je voorgeschreven:
Nijmegen leave, Brussels leave. Veel van de kameraden vinden het wel
gemakkelijk om zo te leven, overal wordt voor gezorgd, wanneer je maar
meesukkelt in de sleur gaat alles van zelf. Je wordt geleefd en behoeft
nergens om te denken. Totdat je aan 't front komt, onder vuur. Dan is 't
alsof de pal die de veer tegen heeft gehouden, ineens losspringt en de
zekerheid valt weg. Wij worden dan ieder weer afzonderlijke mensen met
eigen gevoelens en eigen angsten. Je zou 't liefste gedoken blijven
zitten in je funkhole." (Bijnaam voor de mangaten of
schuilplaatsen, letterlijk angsthol.)
"Wat een onzin vertel ik" onderbreek hij zich en ziet schuw
onderzoekend op, maar de aandacht waarmee geluisterd wordt doet hem
vervolgen:
"'t Is de eerste keer een vreemde gewaarwording op een medemens te
moeten schieten; al heb je 't nog zo lang geoefend op schijven en op
dummies en er een grote mond bij gehad over het
|