Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 26 - 29 December 1944
Moeder van Tilborg beschouwt allen die zich 's avonds in haar keuken
verenigen als haar kinderen die zij in 't hart gesloten heeft. Zij
bemoedert hen en houdt hen ongemerkt in 't oog alsof het haar eigen
zoons waren. Nu, deze laatste avond van Royke schiet de
aardappelschillerij helemaal niet op, herhaaldelijk rust haar blik met
een bezorgde uitdrukking op de jonge man die wel mee doet met het
kaarten doch telkens domme fouten maakt. Tot ergernis van Vader van
Tilborg, zijn partner, een fijn speler, waarvan hij het gehele spel
verknoeit. Dinsdag 26 December. De Zondagen, waarop ieder uit zijn gewone doen is en na kerkgang en
maaltijd met de vrije tijd eigenlijk geen raad weet, zijn eindeloze
dagen. Ditmaal volgen er liefst drie op elkander. 's Middags trek ik er
maar weer op uit, ondanks de koude. Alleen de grote wegen, waar de
sneeuw geruimd of platgereden is, zijn te begaan op klompen. Op de
weinig gebruikte paden zakken we weg in de dikke laag die in klodders
vastplakt onder de zool en hak en het lopen onmogelijk maakt zo wij de
klompen niet om de tien pas afkloppen tegen boom of hek. 't Wordt een
lange wandeling, drie uren gaan er mee heen. Opwekkend is 't er niet in
dat kale land van de Beerse Maas. En toch zijn er mensen die deze
verlatenheid verkiezen boven de bewoonde wereld. Als het laatste dorpje
met zijn oude rietbedekte boerderijen achter de rug ligt, komen we in
het Pollenbroek. De naam verraadt zure drassige grond waarin het harde
door het vee versmade biesgras pollen vormt. Daar, onder de allerlaatste
windverwrongen schrale boom staat een eenzame woonwagen. Het vehikel
heeft al jaren dit plekje op het Pollenbroek ingenomen en niemand die
het hem betwist, de grond is hier immers zonder waarde. de wagen is
netjes onderhouden en ziet er bijna gezellig uit met heldere kanten
gordijntjes en geraniums voor de kleine venstertjes en de rookpluim die
uit het schoorsteentje stijgt.
|