| 47A - SCHRIFT-2 Vervolg |
blz 326 |
van 17 kamers - "fort commode pour cacher des gens." - temidden
van een protestantse bevolking. Zijn vrouw en kinderen waren bij hem gekomen,
't huis was een centre de résistance, nooit vermoed door de D. die een
onnoozele dominé hier niet toe in staat achtten,
[vel 23]
In 't atelier, temidden van zijn werk, stond de kist, bedekt meet bloemen.
Wij schaarden ons er om heen, eerst las de Geref. voorganger - een ernstige
jongeman van 23 jaar - de doodenpsalm 103? en uit Paulus aan de Corinth:13
{spatie} en bad, hierop zeide Ds.Jospin enkele hartelijke woorden.
Langs de Boerweg, die door de buren schoongeveegd was van de sneeuw, ging de
stoet te voet, enkel Andrée in éen der auto's, tot het eind van 't dorp Elp.
Hierop stopten wij en verscheiden gingen in de auto's, die doorreden tot
Westerbork, alleen Ketelaar stopte halverwege nog om Ds.Jospin die het te koud
kreeg, op te nemen. Zus had toen beter ook kunnen gaan rijden, maar bleef
loopen. 't Was fel koud, 't wijde Drentsche land met een laagje sneeuw bedekt,
dat glinsterde en schitterde in den gouden zon, fijn teekenden de knoestige
boomen zich af tegen de heldere winterlucht. Door dit schitterende landschap
trok de lange donkere stoet over Reins geliefde Oranjekanaal, dat stijf
toegevroren lag. De enkele voorbijgangers stegen van de fietsen of lieten hun
wagens stoppen en stonden eerbiedig met de pet in de hand. Halverwege de
Westerborker esch kwamen wij een boer met een dik varken tegen, 't varken werd
wild van al die menschen, met moeite hield hij het luid piepende dier in
bedwang, met de rug naar de weg gekeerd, maar toch de pet in de hand. Een van
Reins figuren. Onderweg met boer Pol gesproken over oorlogspsychose. Hij
vertelde van Drentsche oorlogsvrijwilliger van '44, die nu naar Indië is en
ik van onze ondervindingen. Bij ingang Westerbork formeerde de stoet zich
weer; langs de rand van de erven, voor hun huizen stonden de menschen en
voegden zich
[achterzijde vel 23]
achter de stoet, ook de burgemeester, enz. die in zijn auto ons opgewacht
had. Bij de kerk komende begon de oude klok te luiden, eerst drie maal drie
doffe slagen, daarna het sombere uitluiden. Links op de doodenakker, die ligt
op een afgeschut hoekje van de Esch, beschut door 't bosch en een hooge
beukenhaag, links, dichtbij de graven van de hier gesneuvelde Franse
parachutisten, is zijn rustplaats, tusschen een rhododendronbos en een oude
jeneverbessenstruik die hij eens uitgeteekend heeft. In een wijde kring
stonden wij er om heen, in de sneeuw, de heldere winterlucht boven ons en de
stilte.
Als eerste sprak een jonge, mismaakte Beiler schilder namens de Drentsche
kunstkring, daarna Oldebeuring de redacteur van de Drentsche Courant, waar
Rein aan medewerkte en vervolgens de trouwe Dijkstra. De beide dominé's
spraken en baden. Buiten de begraafplaats namen wij afscheid van Gretien en
Hartman, Hartman zeide: "En wij blieven elkander skrieven", de beide
getrouwen stonden de tranen in de oogen, en van vele anderen. Wij gingen in de
auto's terug, de Elper boeren in een paar autobussen, In 't Heidehuis koffie
en broodjes gegeten en in 't atelier schilderijen bezichtigd, ook verscheiden
die door mr.Scherf en Victor uit Trianon werden gehaald. Dijkstra maakte plan
voor Herdenkingstentoonstelling in Assen en Groningen.
Samen met Andrée, Ds Jospin en Dijkstra's aten wij om dan met Dubbelboer, met
zes man in klein wagentje, naar station Beilen te rijden. Terugreis samen met
Ds Jospin tot Zwolle. Steeds fel koud, doch bij Arnhem ontdooiden de raampjes
ineens. Waal ligt vast. In Nijmegen wachtte Elly ons met auto, bij elf uur
thuis.
[vel 24]
Boer Pol zeide, in 't stugge Drentsch, waarvan de woorden zoo moeilijk uit
de keel komen: "Een moeder is 't ergste wat je verliezen kunt, dat weet
jullie allemaal ook wel, maar ik ben toch niet meer geschrokken toen ik 't
overlijden van mijn Moeder hoorde dan nu met de doodstijding van Meneer Dozy."
|