Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 16 - 25 December 1944

Terug naar bladzijde 266

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 268

44S - Vervolg dagverhaal

blz 267

- 138 -
ramp en voor ons was 't een straf voor onze zonden, niet waar?"
Ondertussen bezwaart het vooruitzicht opnieuw verder te moeten trekken ons vluchtelingen eveneens, al kan voor velen een verandering nauwelijks een verslechtering betekenen. Mijn brave kostmensen verzekeren: "U blijft natuurlijk bij ons, wij zullen wel ergens terecht komen waar wij voor U kunnen zorgen." Dan zwerft Moeder van Tilborgs blik door de heldere keuken rond, over alle voorwerpen die zij haar gehele huwelijksleven gebruikt en verzorgd heeft, tranen wellen in haar ogen: "'t Is toch wel hard om alles achter te moeten laten" en vervolgens tegen mij: "Nu begrijp ik pas wat jullie hebt doorgemaakt, och arm!"
Schra bromt een vermaning dat Moeder zich niet nodeloos ongerust moet maken; als je alle geruchten wilde geloven die de ronde doen .....
Maar wanneer Frater Joachim een paar dagen later een van zijn onverwachte bezoeken brengt, vernemen wij - kloosters zijn altijd van alles op de hoogte - dat het gerucht gegrond was en wij ter nauwer nood de dans ontsprongen zijn. Dat hebben wij te danken aan het overtuigende pleidooi der Nederlandse overheid die de Geallieerden duidelijk wist te maken dat een dergelijke verplaatsing een chaos ten gevolge zou hebben.
En inderdaad, een chaos kunnen de Geallieerden thans allerminst gebruiken, de wegen zijn door het militaire vervoer reeds overbelast. De grote verkeersweg dwars door Brabant houdt zich voortreffelijk doch alle secondaire wegen zijn tot blubber gereden en moeten grondig hersteld worden.
Het vervoer is sinds kort niet meer uitsluitend op de wegen aangewezen. Er rijdt tegenwoordig af en toe een trein tot Ravenstein, getrokken door een Belgische locomotief die een gebrul als een stoomboot uitstoot. Wij zaten juist aan tafel te eten toen voor 't eerst het schorse geloei weerklonk. Iedereen sprong op: "Een boot op de Maas?" klonk
- 139 -
het verbaasd; om die ongerijmde veronderstelling dadelijk weer te verwerpen. De Maas was immers slechts voor een veertig- hoogstens een vijftigtal kilometers in Geallieerde handen. De jongens draafden natuurlijk dadelijk naar buiten om na verloop van tijd terug te keren met de mededeling dat er een trein bij het rangeerterrein stond waar troepen uitgeladen werden. Betuws vee zou als retourvracht meegaan.
De arme halfverhongerde koeien komen in grote troepen uit dat Niemandsland aan en in afwachting van verder transport staan zij hier ergens op een kaal weiland te kleumen en te verkommeren. Kudden schapen, dik in hun grauwe wintervacht, worden op dijkhellingen en uiterwaarden los gelaten en moeten daar wat voedsel zien bijeen te scharrelen.
De spoorbrug ligt nog steeds doormidden gebroken in de Maas. De Engineers trachten wekenlang vergeefs om de zware stukken ijzerwerk uit de rivier op te hijsen. Ravenstein kijkt zwijgend en zeer belangstellend toe. Tenslotte zien de Geallieerden het vruchteloze van hun pogingen in en op zekeren dag verschijnen er twee drijvende bokken met hijskranen van de Nederlandse Ballast Maatschappij, die toevallig ergens in Brabant lagen. Maar wat was toeval in een bezet land dat zich heimelijk voor zijn bevrijding voorbereid had?
Weer ziet Ravenstein toe, met nog meer belangstelling dan te voren. De lange uren van geduldig wachten op de winderige dijk worden beloond; wat de Engelsen mislukte, volbrengen de Nederlanders schijnbaar zonder moeite en in korten tijd. Nu doen de toeschouwers hun mond open en stellen vast: "Zo zie je al weer, als 't met water te maken heeft kunnen ze 't toch maar niet klaarspelen zonder ons!" En zij koesteren een trots gevoel alsof zij zelf dat lastige karwei opgeknapt hebben.

Zondag 17 December.

Enkele dagen geleden is Ds van R. met zijn gezin in de Pastorie getrokken; na kerktijd ga ik hen begroeten in de nieuwe

 

Terug naar bladzijde 266

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 268