Dagboek van dienstplichtig soldaat Martien Zilessen uit Groesbeek tijdens zijn verblijf in Nederlands - Indië in de periode 1947 -1950

Ergens in Nederlands - Indië

 

Zaterdag 13 September 1947:

’s Morgens weer om 9 uur opgestaan. De hele dag wat rondgelopen en ook goed rondgelopen. ’s Avonds om half 5 zijn we weer vertrokken. We hadden een tijdje doorgeroeid toen we een beruchte boef oppikten, die nog wapens moest hebben. Die moest ook naar Kenten. We hebben de hele nacht doorgeroeid. ’s Nachts nog twee keer bij mensen moeten eten. ’s Nachts hebben we doorgeroeid, we kwamen ’s morgens om zeven uur weer in Gasing aan. We hebben er gegeten en ons gewassen, en zijn ’s middags om half twee weer verder geroeid. We kwamen ’s avonds om half 6 thuis, toen hebben de jongens van ons nog even een man in Palembang opgehaald.

 

Maandag 15 September 1947:

Ik ben ’s morgens om 8 uur op ziekenrapport gegaan, en ben de hele dag in Palembang geweest omdat er geen wagen was. Ik heb toen een gouden pen voor mijn vulpen gekocht (zal wel verguld geweest zijn), die kostte 5 gulden. Ik kwam ’s namiddags om half 6 thuis.

 

Maandag 6 Oktober 1947:

Wij zitten nog steeds in Kenten, en daar is ook niets te beleven. We doen hier niets dan wachtkloppen en patrouille lopen. Wij hebben nog geen schot gehoord van een vijand of zo. Wel van ons zelf als we een (wild)varken, hert of klapperrat schoten. ’s Zondags gaan we als we vrij zijn in Palembang naar de kerk. Ook gaan we af en toe in Palembang naar de bioscoop, maar anders is hier niks te beleven.

 

Donderdag 16 Oktober 1947:

De jongens hebben hier allemaal de pest in. Toen wij uit Holland vertrokken, vertelden ze ons dat wij hier 500 sigaretten (Engelse) zouden krijgen. Nu krijgen we er af en toe nog geen 300 meer, en niets dan rommel (Zipper en Cresta). Nu kunnen wij geen brieven meer op de post doen, of er moeten postzegels op geplakt zijn, dus dat wordt helemaal goed…..

 

Zaterdag 18 Oktober 1947:

Wij zijn vanmorgen op patrouille geweest. Toen zijn we in een nieuwe Boeddha-tempel geweest om eens te kijken. Van buiten was hij al zeer mooi, maar van binnen was het nog het mooist. Een en al schilderwerk. Hier zag je een draak geschilderd en daar weer wat anders. Verder zag je nog een stuk of drie Boeddha-beeldjes. Ik heb mijn ogen bijna uitgekeken, zo mooi vond ik het. ’t Was een en al schilderwerk.

 

Zaterdag 1 November 1947:

Vanaf heden kunnen wij maar 20 brieven per maand schrijven. Vanmorgen is er in Palembang een lijk aangespoeld. Het was een blanke……..

 

Maandag 3 November 1947:

Vandaag zijn wij weer uit Kenten vertrokken naar Soengia Gerong. Dit is de tweede keer dat wij in Soengai Gerong liggen. Maar wij liggen er nu met zeven man. (De enigste soldaten die hier liggen.).

 

Maandag 10 November 1947:

Vandaag zijn we weer verhuisd van Soengai Gerong naar Soengai Doea. We hebben juist een week in Soengai Gerong gelegen. Toen wij in Soengai Doea aankwamen en onze spullen hadden uitgepakt, moesten we op patrouille naar een paar kampongs. We hadden opdracht alle mannen boven de 16 jaar, die buiten liepen dood te schieten, maar toen wij daar aankwamen, liepen er zoveel buiten, dat wij ze allemaal hebben meegenomen.We hebben er maar geen doodgeschoten, wel hebben we een kleine 40 patronen de lucht in geschoten. De groep waar ik bij was, bestond uit drie man. Toen wij aan land moesten, moest dat vlug gaan. We moesten over een boom lopen, die los op het water lag. Toen wij erop stonden, begon hij te draaien en ging ik met den sergeant de kalie in. Toen we eruit kwamen, waren we tot onze nek toe nat en de anderen stonden te lachen. De sergeant kon zwemmen, dus die was vlug aan den wal. Maar ik moest maar weer op den boom zien te komen, want ik kon niet zwemmen.

Terug naar pagina 14

Terug naar het begin

Naar pagina16