Dagboekfragmenten van de evacuatietijd in de Groesbeekse woonkern 'De Horst' bij de zusters Franciscanessen in de periode september/oktober 1944.

 

                     Naar de inleinding geschreven door Leo Zilessen

 Terug naar pagina 4 van het dagboek

 Terug naar het begin van het dagboek

 Naar pagina 6 van het dagboek

Het dagboek Geschreven door Zuster Marie Joseph 

Boeren haalden thuis, al wat zij maar mee konden brengen aan mondvoorraad. Twee kruideniers (van de Horst) brachten hun voorraad bij de Zusters, om er van te gebruiken wat ze wilden. Aan voeding was er dan ook waarlijk geen gebrek, want iedere morgen gingen enkele jongens en meisjes er op uit, om te zien of hier en daar nog enkele koeien stonden, om tenminste ook voor de baby’s en kleine kinderen de nodige voeding te hebben. De meisjes hielpen ook met aardappelen schillen, en met de kelders en gangen te dweilen. Het vleesch van de geslachte koe en varkens, werd door twee (Horster) slachters in kuipen ingemaakt, om het op de zogenaamde bloemenkamer te kunnen bewaren.

  Hoewel men dan ook aan voeding waarlijk niets te kort kwam, werd de algemene toestand toch zo, dat het niet langer zo kon. De kelders luchten ging niet voldoende. Kinderen zagen wit en menschen werden ziek wegens gebrek aan frisse lucht. Een soort dysenterie (=buikloop met bloed) brak uit, waaraan haast allen het slachtoffer werden. Kinderen en volwassenen kregen veel last van ongedierte. Kortom er moest wel een einde aan komen. Dat had ook een Duitse Feldwebel gezien, die op 13 Oktober (1944) getuige was geweest van de zware granaatinslag. Hij stelde dan ook de Zeer Eerwaarde Heer Pastoor voor, om een evacuatie naar het dorp (Groesbeek) aan te vragen. Op 18 Oktober ’s avonds kwam de boodschap: Dadelijk 200 personen evacueren, niet naar Groesbeek, doch naar Millingen (?onduidelijk geschreven.). Die nacht vertrokken er 150, beladen met pakjes brood en meteen pakte men maar vast in voor de volgende nacht waarin de rest zou vertrekken.Die dag was van groot belang. Hoewel we reeds de 4e Oktober aanzegging tot evacuatie hadden gekregen, wat toen niet was doorgegaan, hadden we toch de vluchtzakken spoedig bij de hand. Toch gaf het bericht van vluchten bij de mensen nog heel wat drukte.

  Het H. Sacrament was tot dan toe, veiligheidshalve in de oven van de stookkelder gelegen. Uit eigen beweging hadden de mannen dan ook voorgesteld, om de nachtelijke aanbidding te houden, terwijl de andere mensen er omheen probeerden te slapen. Elk had om de beurt een uur. Het ging werkelijk heel devoot (=vroom, toegewijd). Ook werd er in de verschillende kelders soms het Lof gecelebreerd, waar dan door allen de Lofliedjes werden gezongen.

  De laatste dag in ons dierbaar klooster brak aan !

Een 150 mensen minder, door alle sukkelaars en zieken waren er nog. Reeds vroeg in de morgen werd een jong vrouwtje met 41 graden koorts, vanwege borstvliesontsteking bediend. Een dokter was niet te bereiken. Tot de middag alles vrij rustig. Rond 16.00 uur echter toen het drietal jongens, die onze trouwe melkers waren, iets in de grond groeven en er iets vreselijks gebeurde. Een van de drie ging binnen wat halen, de beiden anderen begonnen een nieuwe kuil te graven. Een granaat……en een van de twee was op slag dood, terwijl de andere na ongeveer twee uren overleed, nadat hij een kwartier te voren pas naar binnen was gehaald, kunnen worden daar er herhaaldelijk schoten vielen, zodra men een pas buiten zette om ze te halen. Binnen het uur waren beiden reeds begraven in onze tuin (waar reeds vijf personen lagen) want het begon reeds donker te worden. Het gebeurde sloeg ons allen met ontzetting. Nu verlangde men werkelijk om er uit te komen. Het werd onhoudbaar. Toch maakte het aanstaande vertrek ons stil en het stemde ons eenigzins weemoedig, om ons klooster te moeten verlaten. Dien avond begon om 22.00 uur de uittocht. Nu niet naar Millingen doch we zouden wel zien. In alle geval over Duitschland naar Nederland. Steeds verlieten groepjes mensen ons klooster. Eindelijk sloten wij als laatsten de stoet, ’s nachts om twee uur. Na nog een zeer angstig ogenblik beleefd te hebben toen wij juist voor het huis stonden (wij hadden namelijk aan de achterzijde (aan de kant van het Reichswald) het klooster verlaten) daar werden we in het volle Amerikaanse zoeklicht gezet, afkomstig van het dorp.

 

 Terug naar pagina 4 van het dagboek 

 Terug naar het begin van het dagboek 

 Naar pagina 6 van het dagboek 

                   Naar de inleiding geschreven door Leo Zilessen