Dagboekfragmenten van de evacuatietijd in de Groesbeekse woonkern 'De Horst' bij de zusters Franciscanessen in de periode september/oktober 1944.
|
Het dagboek Geschreven door Zuster Marie Joseph Boeren haalden thuis, al wat zij maar mee konden brengen aan mondvoorraad. Twee kruideniers (van de Horst) brachten hun voorraad bij de Zusters, om er van te gebruiken wat ze wilden. Aan voeding was er dan ook waarlijk geen gebrek, want iedere morgen gingen enkele jongens en meisjes er op uit, om te zien of hier en daar nog enkele koeien stonden, om tenminste ook voor de baby’s en kleine kinderen de nodige voeding te hebben. De meisjes hielpen ook met aardappelen schillen, en met de kelders en gangen te dweilen. Het vleesch van de geslachte koe en varkens, werd door twee (Horster) slachters in kuipen ingemaakt, om het op de zogenaamde bloemenkamer te kunnen bewaren. Een 150 mensen minder, door alle sukkelaars en zieken waren er nog. Reeds vroeg in de morgen werd een jong vrouwtje met 41 graden koorts, vanwege borstvliesontsteking bediend. Een dokter was niet te bereiken. Tot de middag alles vrij rustig. Rond 16.00 uur echter toen het drietal jongens, die onze trouwe melkers waren, iets in de grond groeven en er iets vreselijks gebeurde. Een van de drie ging binnen wat halen, de beiden anderen begonnen een nieuwe kuil te graven. Een granaat……en een van de twee was op slag dood, terwijl de andere na ongeveer twee uren overleed, nadat hij een kwartier te voren pas naar binnen was gehaald, kunnen worden daar er herhaaldelijk schoten vielen, zodra men een pas buiten zette om ze te halen. Binnen het uur waren beiden reeds begraven in onze tuin (waar reeds vijf personen lagen) want het begon reeds donker te worden. Het gebeurde sloeg ons allen met ontzetting. Nu verlangde men werkelijk om er uit te komen. Het werd onhoudbaar. Toch maakte het aanstaande vertrek ons stil en het stemde ons eenigzins weemoedig, om ons klooster te moeten verlaten. Dien avond begon om 22.00 uur de uittocht. Nu niet naar Millingen doch we zouden wel zien. In alle geval over Duitschland naar Nederland. Steeds verlieten groepjes mensen ons klooster. Eindelijk sloten wij als laatsten de stoet, ’s nachts om twee uur. Na nog een zeer angstig ogenblik beleefd te hebben toen wij juist voor het huis stonden (wij hadden namelijk aan de achterzijde (aan de kant van het Reichswald) het klooster verlaten) daar werden we in het volle Amerikaanse zoeklicht gezet, afkomstig van het dorp.
|
||