| 40F - Blok Vervolg |
blz 10 |
vel 3
Grebbeberg bijeengezocht. Enkele balen, en twee bergen in flarden getrokken
en bebloede kleeren; de eene wit goed en de andere de groene pakken. Geen
wollen uniformen, daar de Duitschers deze terstond in beslag genomen hebben
voor eigen gebruik.
Heimerstein lag schijnbaar ongedeerd. De weg er langs even vervolgende, bleek
hoe onzichtbaar vanuit de velden de prikkeldraadversperringen en de loopgraven
van de berg waren. Naar boven gegaan tusschen de loopgraven door. De meesten
bedekt met gaas waarop mos en takken. Sommige waren zelfs nog niet geheel af
gekomen: niet voorzien van de houten bekleeding. In een enkele stond het luik
van de voorraadruimte open; opengemaakte, maar niet aangebroken blikken waren
in de steek gelaten. Overal lag de grond bezaaid met sigarettendoosjes,
waartussen leege blikken, leerwerk, brieven en boeken, toiletgerei,
patroonhulzen, enz. en hier en daar nog een gebroken wapen. Te midden hiervan
een ronde opgeworpen hoogte.
De zon scheen in plekken door de blaren en een eenzame vink liet onophoudelijk
zijn eentonig liedje hooren.
Bijna bovenaan kleine ingravingen, waarbij o.a. stukgesneden D. rubberlaars.
Hier kwam een Hollandsch soldaat naar mij toe, zeggende dat dit eigenlijk
verboden terrein was. "Doch U bent zeker op weg naar de begraafplaats,
dan breng ik u er wel even en als de veldwachters iets vragen, zegt U maar dat
U verdwaald was." Bovenop de berg een ruimte omheind met dennenstammen en
daar de rijen Hollandsche en Duitsche graven. De Duitsche gelijkvormig beplant
met kleine begonia's en blauwe bloemen en de kleine naamhouten aan de
hoofdeinden, de Hollandsche met allerlei bloemen, maar veel in de kleuren van
onze vlag, een enkele met, in plaats van het houten oranje kruis met naam, een
steenen kerkhofkruis of grafkrans in doos, te breed voor de smalle rustplaats
die ieder toebedeeld is. Aan 't begin en einde van de rijen graven van
officieren, zes of zeven, o.a. majoor Jacometti 8ste R.I.
Ongeveer 460 Hollanders en 300 Duitschers waren hier gebracht. Men werkte nog
aan de graven, bij een D. rij werd een lange groeve gemaakt. Hierbij stond als
een schaduw een stille D. officier toezicht te houden. Hinderlijk, ergerlijk
was de breede D. officier die zich met zijn vrouw met overwinnaars air in het
midden van de begraafplaats posteerde en de ronddwalende menschen monsterde,
de handen in de zijde.
Op de Holl. graven waren hier en daar helmen, geweren en sabels.
Op de eene rij D. graven stond een plakaat in lauwerkrans met het volgende
opschrift:
vel 4
"Für Führer, Volk und Vaterland fielen in Siegreichen
Durchbruchkampf der Grebbelinie ....."
Bij de uitgang een bus waarvan de inhoud dient om de graven van de onbekende
soldaten met bloemen te versieren.
Langs de groote weg de berg afgedaald en even gezeten vóór de rest van het
hotel, dat beneden nog tamelijk bruikbaar is, doch zijn dak mist. De spanten
staan nog; men was bezig, daarboven af te breken en luiken en deuren langs een
ladder naar beneden te brengen. De vlaggestok met de vlag er om heen
gewikkeld, stond dwars over de zolder. Het stuk van het hotel aan den overkant
van de weg bestaat enkel nog uit halve muren.
Per bus tot den Oostkant van Rhenen, waar allen uit moesten stappen, omdat het
groote viaduct over de spoorweg vernield, en alleen de oude trambrug te
gebruiken is. De spoorbrug ligt gesprongen in de Rijn.
Voor mij uit ging een oudere juffrouw in 't zwart, ik had haar op de
begraafplaats al opgemerkt terwijl zij zoekende rond liep met bloemen in de
hand. Zij werd aangeroepen vanuit een winkel: "Wel, juffrouw, bent U zoo
in de week aan 't wandelen?" "Ja, ik ben eens effe naar mijn zoon
wezen kijken."
Met een meewarige blik zeide de slagersvrouw: "Och ja, mensch, je hebt er
niet veel aan, maar je wilt dan toch wel eens zien, waar hij ligt."
|