| 40F - Blok Vervolg |
blz 12 |
juist bevond, en dat ligt aan de tegenovergestelde zijde van het
park, kwam het antwoord dat de Beschließerin mij niet kende en ik dus
..... niet toegelaten kon worden. "Zegt U ons de boodschap
maar."
"Toch zou ik gaarne Frau H. persoonlijk spreken. Ik heb een
boodschap van haar zuster, die een ernstige operatie moet ondergaan, en
wensch deze boodschap zelf over te brengen."
Ten slotte werd ik in het wachtlokaal van de Ned. wacht gebracht, waar
ik mij een stoel liet geven, wel begrijpende dat de bedoeling was, mijn
geduld uit te putten. Wat juist bleek te zijn, want ik heb er meer dan
een uur gewacht, eerst in gezelschap van éen, later van twee
veldwachters. Na verloop van tijd begon degeen die mij aangehouden had,
zijn verontschuldigingen te maken, doch de orders waren zoo streng:
niemand die onbekend was, mocht toegelaten worden "en dan hebben we
nog eene hele lijst van personen die heelemaal niet binnen mogen
komen."
Ik antwoordde, dat ik volkomen begreep, dat hij zich aan zijn orders
moest houden.
Eindelijk en ten leste kwam een jonge dame mij afhalen en bracht mij bij
Frau.H.: een vriendelijke jonge verschijning met grijs haar, die zeer
verheugd was, toen zij bemerkte dat ik uit naam van haar zuster kwam.
Een jongmensch die getuige van de begroeting was, zeide verontwaardigd:
"Hat man die Dame aber lange warten lassen." Ook Frau H. putte
zich uit in verontschuldigingen en bracht mij onderwijl naar een
logeerkamer, dat ik mij wat op kon frissen. Gezellig pratende zaten wij
eenige tijd samen, waarop zij voorstelde dat we in 't dorp zouden
{vel 7}
gaan lunchen: "want hier in de eetzaal zitten wij niet onder elkaar
en dat is niet zoo prettig." Dus gingen wij naar Cecil en kregen
daar een uitstekend verzorgde maaltijd. Met een buigende hotel-eigenaar.
Heen en ook terug gingen wij een achterpoortje door en door 't op dat
tijdstip gesloten rosarium. De bank van den keizer op een afgezette
verhooging, als een soort troon. Bij alle rozenperken op
emaille-plaatjes de naam van degenen die het gegeven hadden, zooals deze
ook in 't Pinetum{?} staan bij iedere geschonken boom of struik. Frau H.
liet mij het geheele park zien: de tennisbaan met de groote klimrozen
tegen het hekwerk, het speciale rosarium ter nagedachtenis "von
unsere richtige Kaiserin"; de moestuin, het houthakkerseiland, de
prachtige oude beuken en eiken in 't oude park en de nieuwe aanleg van
het pinetum. Hierin een tuinhuis - geschenk van de gemeente Doorn - dat
eenigzins overhoop lag: zandvoeten, de kussens door elkaar gesmeten,
enz. tot verontwaardiging van de huishoudster. "Ach, dat hebben die
tuinlui natuurlijk omver gehaald." Thuisgekomen werd er dadelijk
een dienstmeisje op afgestuurd om de boel op te ruimen. "Ja"
zeide het meisje: "Daar heeft de Keizer vanmorgen gezeten
...."
Groote teleurstelling van mijn gastvrouw: had ik dat maar geweten, dan
zou ik U er even langs gebracht hebben, dan had U hem gezien. En ik
begreep al niet, dat hij vanmorgen niet bezig was om de uitgebloeide
rhododendrons op het voorplein uit te plukken, zooals andere dagen, dat
zeide ik u nog. Wie Schade, wie Schade!"
Enfin, naar Rome geweest en de paus niet gezien. In plaats daarvan
echter vele portretten bekeken. Tijdens onze wandeling werd het zeer
drukkend en terugkomende in de Oranjerie, toen ik mij gereed wilde maken
voor mijn vertrek, brak een hevige onweersbui los, of liever drie buien
achter elkaar. De Oranjerie is beneden geheel ingericht voor den
kroonprins en zijn familie. Volle, eenigzins overladen kamers, veel
schilderijen, portretten, mooie oude meubels en erg vergulde Engelsche
ledikanten. De gangen stijlvol aangekleed met een paar oude meubels en
aardige prenten, beneden van oude uniformen, boven van oud-Berlijn en
Potsdam. Frau H.'s eigen kamer keek op 't voorplein uit met al zijn
bloemperken en schuin op 't hoofdgebouw, 't eigenlijke kasteel.
Onderwijl dat het buiten stortregende en onweerde, zaten wij gezellig
foto's te bekijken. van de keizerlijke familie, het huwelijk van prins
Louis Ferdinand met prinses Kyra, van ons prinselijk paar en de kleine
prinsesjes en van de eigen familie van Frau H. 't Eenige kind van haar
broer, eerst een vrolijke jongen; zijn eerste schoolgang met de "Tüte";
op 't strand of in de sneeuw met zijn slee en 't laatste portret dat zij
gekregen had: als vlieger, een strak, somber gezicht. "Damals war
er in Dänemark, ob er nog lebt, weiß ich nicht. So ein lieber, guter
Jungen. Ach, Krieg ist schwer."
De schaduw van den oorlog. Frau H. vertelde van de
|