44F Dagverhaal Vervolg |
blz 153 |
- 29 -
zijn vader en moeder moest missen. Zijn vader was door de Duitsers
gefusilleerd, zijn moeder was in Duitsland gevangen. Slechts een enkele keer,
wanneer het krijgsrumoer uitzonderlijk hevig oplaaide bekende Paultje met een
schuchter stemmetje: "Nu ben ik toch wat bang" en greep tot steun
een hand vast. Bij deze geringe uiting van angst bleef het, van huilen of
klagen was nimmer sprake.
Zodra 't slechts enigzins mogelijk was gingen wij met de jongen de tuin in,
opdat hij frisse lucht en zonneschijn zou krijgen en niet voortdurend in de
keldersfeer verkeren. Zelf waren wij ook zoveel mogelijk in de buitenlucht,
ter voorkoming van wat wij als "kelderpsychose" betitelden; een
verschijnsel waar velen van de gedwongen kelderbewoners aan lijden.
In de namiddag was het volkomen rustig, wij maakten er gebruik van om in de
serre thee te drinken. Tot vreugde van Paultje die zijn instemming betuigde
met een hartgrondig: "Hè ja, dat is prettig! In de kelder merk je
helemaal niet dat het dag is." Verlangend keek de kleine jongen naar de
zonnige tuin en naar zijn zandbak waarin een van losse bakstenen opgetrokken
garage uitnodigend wachtte op voltooiing; de vrachtauto's die in het bouwsel
zouden stallen zwierven in de omtrek rond. Paultje begreep best dat er van
buiten spelen geen sprake kon zijn, hij haalde zijn meccano voor de dag en was
al spoedig verdiept in een ingewikkelde constructie.
Plotseling hoorde ik de granaten weer langs suizen, verscheiden salvo's
volgden elkander in snel tempo op. de buren vertelden ons later hoe zij de
projectielen zagen ontploffen in de stapels kalkzandsteen van de opslagplaats
van Van K., de stenen fladderden op als dorre bladeren in een najaarsstorm.
Een schuur en enige huizen in de nabijheid kregen ook verscheiden treffers en
op het schoolplein aan de andere zijde van Vogelsangh vielen eveneens talrijke
- 30 -
granaten. 't Was alle omwonenden duidelijk dat er gemikt werd op de vlag van
Vogelsangh die ondanks de bomen op verre afstand zichtbaar moet zijn geweest.
Niemand waagde zich evenwel door het vuur om op de villa te gaan waarschuwen.
Ten leste daagde ook bij mij een vermoeden omtrent de aanleiding tot dat
bombardement; ik waarschuwde Ineke en samen snelden wij naar de vlaggemast.
Terwijl de granaten dicht over onze hoofden gierden lieten wij de driekleur
zakken - het was een smadelijke gewaarwording de vlag letterlijk voor de
moffen te moeten strijken - en draafden met het dundoek in de armen naar de
serre, waar Paultje op de vloer speelde met zijn meccano en Vader en Moeder zo
verdiept waren in hun lectuur dat zij niets van het voorgevallene bemerkt
hadden. Verwonderd vroegen zij waarom wij de vlag binnengehaald hadden. Met
moeite onderdrukten wij onze door het draven de helling op en de emotie
hijgende adem en antwoordden, om Paultje niet te verschrikken, als terloops
dat het net geleken had alsof de Duitsers op de vlag schoten. Blijkbaar waren
wij niet ver mis met deze veronderstelling, want zodra de vlag verdwenen was
werd het vuren gestaakt.
Juist zouden wij met het middagmaal beginnen - gezellig in de eetkamer aan een
net gedekte tafel in plaats van in de kelder met een bord in wankel evenwicht
op de knieën - of er verscheen een ambtenaar van het gemeentehuis om de
sleutel van Elly's huis op te halen; de Amerikanen wilden n.l. The Finish
doorzoeken om te zien of de Duitsers iets van belang hadden achtergelaten. 't
Was overbodig dat er iemand van ons meeging, er was haast bij 't geval en dat
zou te veel ophouden ..... Toch leek het mij beter indien een van ons bij die
huiszoeking tegenwoordig was en zo volgde ik met spoed te voet de ambtenaar
die op de fiets met de sleutel vooruit was gegaan.
Behalve deze heer en een Amerikaan die zich als mr.Allan bekend
- 31 -
maakte, vond ik ook de beide buren in het huis. De een, de Vos, een knappe
oude man met wit haar en een rest van de correctheid van de gewezen hereknecht
in zijn uiterlijk; de ander een figuur gelijk de Franse tekenaar Daumier ze
placht uit te beelden: een magere gebogen gestalte, voddige kleren waaruit
knokige armen en benen staken, klompen aan de blote voeten. Hoe
ongelijksoortig ook, het viertal stond broederlijk bijeen in de keuken, ieder
met een waterglas vol cognac in de hand. Bij mijn binnenkomst keken zij
enigzins bedremmeld en verklaarden, zeker om hun figuur te
|