| 44M - Vervolg dagverhaal |
blz 209 |
verschillende te berde gebrachte onderwerpen, waarvan zij voldoende
op de hoogte waren om de verhandelingen behoorlijk te kunnen volgen.
Daarbij konden zij de Groninger geestigheden waarderen. Die gesprekken
vormden een welkome afleiding voor de kwellende gedachten van het heden.
Er was zoveel om over te tobben. Hoe lang zou deze verbanning nog duren?
En wat dan, wat was er van Vogelsangh geworden? Geruchten deden onder de
vluchtelingen de ronde als zouden alle huizen leeg geplunderd worden;
moeilijk konden wij aan de waarheid hiervan twijfelen, hadden wij niet,
toen wij nog in Groesbeek waren, zelf gezien hoe het de verlaten huizen
verging? - En dan, wat het ergste was: de oudste dochter in een Duits
concentratiekamp, het beruchte Ravensbrück volgens de laatste
berichten. Zou Paultje zijn moeder ooit terugzien? Of zou hij haar
voorgoed moeten missen evenals zijn vader? Dierbare familieleden en
vrienden in bezet Nederland, wat zouden zij wellicht te lijden hebben?
Waren zij nog in leven? -
Tot goed begrip van de bochtafsnijdingen aan de Maas uitgevoerd, werd op
een keer de op de vlucht meegenomen stafkaart te voorschijn gehaald,
waarop Br. de verschillende verkortingen van de loop der rivier aangaf.
Eensklaps bedacht hij zich dat er ergens op zolder nog de bij het werk
gebruikte kaarten moesten liggen. "Vrouw, krijg jij ze eens, jij
weet waar ze zijn."
Zijn vrouw begreep helemaal niet waar hij naar vroeg; bij nadere uitleg
ging haar evenwel een licht op. "Meen je soms die linnen dingen
waar papier met allerlei lijnen tegenaan geplakt zat? Dat papier heb ik
er met veel moeite afgeweekt, en van het goed broekjes voor de kinderen
gemaakt. 't Was een reuzewerk, maar ik heb er het geld voor nieuwe
broekjes mee uitgespaard." En
- 26 -
de opkomende verontwaardiging van haar man bemerkend, voegde zij er met
een onverschillig schouderophalen aan toe: "Jij keek toch nooit
meer naar die prullen om."
De twee mannen zagen elkander aan. Bij de meevoelende blik en de half
verholen lach op het gelaat van zijn gast loste Br.'s ergernis zich op
in de verzuchting: "Ach die vrouwen, ze hebben ook nergens weet van
....."
Een andere keer verhaalde hij over zijn Fransche tijd, het mooie
golvende landschap, de goed grond waar zo weinig profijt van getrokken
werd, de luie arbeiders. De Baron en de Barones waren er over uit zoveel
werk als de Hollanders konden verzetten maar ook zoveel eten als ze
konden verstouwen. Mevrouw had er plezier in om bepaalde eigenaardige
Fransche gerechten voor hen te laten klaar maken en kwam dan na afloop
van de maaltijd informeren of ze het lekker gevonden hadden. Meneer
zeide: "Ces Hollandais mangent comme des ogres et travaillent comme
des galériens." "Mhaar....." voegde Br. er in echt
Groningsch, gelardeerd met veel overbodige h's aan toe "die
Franschen voerden ook niets uit, na twee uur werken waren ze al "extenués"
en moesten de nodige borrels pakken om weer bij te komen. Alleen de
vrouwen, die konden zwoegen en de mannen buitten hen uit."
Een enkele Pool zocht 's avonds zijn weg naar de warmte en het
gezelschap. Opdringerig en hinderlijk vonden Vader en Moeder hen met hun
vele vragen en hun onverholen bewondering van vrouwelijk schoon.
De heer Hoefnagels had gezorgd dat ik onderdak vond in hetzelfde huis
als onze ex-buurvrouw Lien met haar zoontje en Til N., een andere
dorpsgenote. Dit was in het oude Posthuis, de uitspanning waar eenmaal
van over de Maas komende reiskoetsen hun paarden verwisselden en de
reizigers gelegenheid hadden om zich te vertreden en een glas te drinken
op de geslaagde overtocht over de rivier. Een koetspoort, binnenhof en
ruime stal wezen nog op het voormalige gebruik. In het
- 27 -
ouderwetsche huis hing nog de stemming van den ouden tijd. Zoals men
zich in dat gehele stadje een paar eeuwen terug verplaatst waande, de
stroom des tijds scheen er aan te zijn voorbijgegaan. In een korzelig
ogenblik maakten wij wel eens de vergelijking met stilstaand water.
Thans brachten hierin niet de oorlog en de gevechten, maar de soldaten
een hevige beroering. Tot vreugd van de op verandering beluste jeugd,
tot ergernis van de meer bejaarden. Zo hadden eens, lang geleden, de
Staatsche troepen en later de legers van Engelsen en Fransen hier
afleiding en vertier gebracht in deze zelfde straatjes en huizen. Op
hetzelfde marktplein hadden ook zij hun inspecties en parades gehouden,
onder de bewonderende blikken van de toeschouwers en de hoede van Sinte
Lucia,
|