| 45A - Terugkeer Vervolg |
blz 285 |
Terneergeslagen gaan wij terug naar Major Walker en verklaren geen
mogelijkheid te zien om te blijven, tot groote opluchting der beide
officieren. "Ik ben blij dat U tot deze slotsom bent gekomen, want
ziet U ik kan U Uw eigen huis toch moeilijk ontzeggen en het is volkomen
ongeschikt voor een dame om in te wonen." Hij beloofde goed voor
alles te zullen zorgen, te verhinderen dat er nog meer uitgehaald werd
en te waarschuwen wanneer het hoofdkwartier overgeplaatst zou worden,
hij zou dan het huis vrij geven doch ik moest er dadelijk in trekken
opdat anderen het niet in beslag namen.
De truck die zijn vracht poststukken naar Duitschland heeft gebracht,
komt ons ophalen. "It is a bad thing to come home like this."
zegt een van ons. Na die opmerking wordt er weinig meer gesproken. Wij
beiden in beslag genomen door onze teleurstellende indrukken, de Captain
in merkbare mannelijke angst voor de gevreesde vrouwentranen, die hem
bespaard bleven, en beschaamd over den kant van `the life of our heroes`
die wij zoo juist te zin hadden gekregen, ofschoon het voor ons toch
waarlijk niet de eerste kennismaking met de keerzijde der
oorlogsmedaille was.
Droog en pijnlijk, als uitgewrongen voelden onze kelen; bij 't
oversteken van de Maas is de zuivere rivierlucht een verfrissching na
alle stof en benauwende stank.
Onbewogen, burgerlijk net Ravenstein, ons toevluchtsoord. Wij keeren
- 10 -
weer naar 't oude, hobbelige keienpleintje, duwen de immer gastvrij op
een kier staande voordeur open, waarachter de spiegelende zwart marmeren
gang met de doorkijk op den zonnigen tuin. In de witbeteegelde keuken
zit de moeder haar eindelooze aardappels te schillen. 't Bakje wordt met
een plof neergezet: "Och gorrie, ik ben toch blij dat U
teruggekomen is." Bedrijvig gaat zij thee inschenken: "Hier,
drink oe maar eerst een lekker warm köpke", een dik besuikerde
beschuit wordt er naast geschoven. En als 't op is zegt zij met een
meewarige uitdrukking op 't moederlijke gezicht: "'t Zal niet
meegevallen zijn." Zonder verder iets te vragen en zonderling
genoeg, juist omdat zij niets vraagt komen de woorden vanzelf en kunnen
wij ons gemoed luchten.
Bij het binnentreden in mijn eigen kamer - laag en groot en ouderwets,
met uitzicht op de verzorgde voorjaarstuinen - tinkelen de kristallen
van het fransche kroontje, zooals zij mij met hun fijn carillon dezen
winter telkenmale verwelkomd hebben. De propere geur van boenwas, op de
tafel staat een bos bloemen. "Marie heeft vandaag de kamer een
extra beurt gegeven, we zeiden tegen elkaar, 't moet gezellig zijn als
de Juffrouw mocht terugkomen."
Overgevoelig gelijk een geradbraakte zie ik er tegen op aan tafel te
verschijnen, doch niemand stelt vragen en in mijn hart dank ik de Moeder
voor haar taktvol verbod. Na 't eten komt de oudste zoon, de zwijgzame
Schra die nooit over zijn ervaringen bij de strijd om de Grebbeberg een
woord gerept heeft, even al rookende naast mij staan en stopt me een van
zijn kostbare sigaretten toe met de weinig parlementaire woorden:
"Verdomd beroerde boel, niet?" en beent de keuken uit.
Eindelooze transporten van het Achtste Leger, van het deel dat nog in
Italië was, trekken den volgende morgen door 't stadje. Veel
vliegtuigen komen over, 's avonds zien wij een V-twee opstijgen: de
vurige kronkelstreep die loodrecht omhoog klimt om in de stratosfeer te
verdwijnen.
Onze vriend Frank komt 's avonds ineens binnenvallen: "For the last
time", voor de groote aanval dus. Op de vraag "Going to cross
the Rhine at last?" zwijgt zijn mond, echter geven de oogen het
antwoord. Even later 't verzoek om er met niemand over te spreken en dan
vertelt hij en brengt mij aan 't praten over Groesbeek, na gezegd te
hebben:
|